GvEA HvJEG, 4 maart 2003, zaak T-319/99, FENIN
In deze zaak behandelde het Hof de vraag of een aankoopactiviteit een economische activiteit behelst of dat deze classificatie afhankelijk is van het betreffende gebruik van de goederen of diensten die worden ingekocht. Op de uitoefening van economische activiteiten namelijk is het Europese mededingingsrecht van toepassing.
In rechtsoverweging 35 en volgende overweegt het Gerecht van Eerste Aanleg dat om te beginnen eraan zij herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het begrip onderneming in het communautaire mededingingsrecht elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. In dat verband wordt onder economische activiteit verstaan, de activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt, en niet de aankoopactiviteit als zodanig. Zoals de Commissie aanvoert, mag voor de bepaling van de aard van de activiteit de aankoop van het product derhalve niet los worden gezien van het latere gebruik van het door de koper verworven product. Bijgevolg bepaalt de al dan niet economische aard van het latere gebruik van het gekochte product noodzakelijkerwijze de aard van de aankoopactiviteit. Wanneer bijgevolg een entiteit een product aankoopt, zelfs in grote hoeveelheden, niet om goederen of diensten in het kader van een economische activiteit aan te bieden maar om er in het kader van een andere, bijvoorbeeld zuiver sociale activiteit gebruik van te maken, handelt zij niet als onderneming op grond van het enkele feit dat zij koper is op een markt. Een dergelijke entiteit kan weliswaar een zeer aanzienlijke economische macht uitoefenen, die eventueel tot een monopsonie kan leiden, maar handelt voorzover de activiteit voor de uitoefening waarvan zij die producten koopt niet van economische aard is, niet als onderneming in de zin van de communautaire mededingingsregels en valt derhalve niet onder de in de artikelen 81, lid 1, EG en 82 EG neergelegde verboden.