Uitspraak Rechtbank Den Haag, 24-9-08, LJN nr. BF4232:
3.3. Gedaagde heeft zich ten aanzien van de mogelijke niet ontvankelijkheid van eiseres beroepen op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (hierna: het Hof) in de zaken Alcatel (C-81/98 van 28 oktober 1999) en Grossmann (C-230/02 van 12 februari 2004). Ingevolge deze uitspraken dienen partijen die inschrijven op een aanbesteding -kort gezegd- binnen een bepaalde termijn een kort geding aanhangig te maken dan wel voortvarend en tijdig bezwaar te maken tegen een vermeende schending van het aanbestedingsrecht. Wat opvalt in deze zaak is dat het project in de visie van gedaagde geen aanbestedingsplichtige opdracht betreft. Een beroep op de door gedaagde genoemde Europese jurisprudentie kan haar dan ook niet zonder meer baten. Ter zitting heeft gedaagde desgevraagd verklaard dat ingevolge een uitspraak van het Hof in de zaak Stadt Halle (C-26/03 van 11 januari 2005) ook ter zake van overheidsopdrachten die niet Europeesrechtelijk worden aanbesteed zo snel mogelijk een procedure moet worden gestart. Bestudering van deze uitspraak leert evenwel dat de prejudiciële vraag die in die zaak werd beantwoord ziet op de uitleg van de verplichting van lidstaten betreffende het openstellen van een beroepsmogelijkheid ook voor besluiten die worden genomen buiten een formele gunningsprocedure om en voor een formele aanbesteding. Dat is in de onderhavige zaak niet aan de orde. De conclusie is dan ook dat eiseres niet niet ontvankelijk is ingevolge voormelde Europese uitspraken.
3.4. Voorts is het de vraag of eiseres niet ontvankelijk is omdat zij te lang zou hebben stilgezeten waardoor er sprake zou kunnen zijn van rechtsverwerking. Tussen partijen is niet in geschil dat er vanaf de brief van 10 oktober 2007 (hiervoor onder 1.9 vermeld) tot de brief van 3 maart 2008 (hiervoor onder 1.11 vermeld) tussen partijen over de onderhavige kwestie kennelijk geen communicatie heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft hierover onweersproken gesteld dat gedaagde op geen enkel moment, direct of indirect, een termijn heeft gesteld waarbinnen bezwaren kenbaar moesten worden gemaakt of dat rechtsmaatregelen zouden moeten zijn getroffen. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat gedaagde in de correspondentie tussen partijen over deze kwestie steeds geruime tijd heeft laten verstrijken voordat zij reageerde op brieven van eiseres. Bovendien heeft eiseres er in dit verband terecht op gewezen dat volgens vaste jurisprudentie voor het aannemen van rechtsverwerking enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende is. Geoordeeld wordt dat ingevolge geldende jurisprudentie op dit punt de aanwezigheid vereist is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Dat in dit geval sprake is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden is onvoldoende gebleken. Conclusie is dan ook dat eiseres ontvankelijk is in haar vorderingen.