De prejudiciële vragen hadden onder andere betrekking op het vrije verkeer van kapitaal, op de (financiering van) diensten van algemeen economisch belang en de daaraan gerelateerde staatssteunvraagstukken. De Raad van State heeft deze vragen bij het Hof ingediend omdat zij uitspraak dient te doen in hoger beroep, aangespannen door het Ministerie van VROM, over een bezwaar van Servatius tegen de afwijzende beslissing van het ministerie om de corporatie een zogenaamde experimenteerstatus (artikel 120a Woningwet) te verlenen.
Achtergrond
Woningstichting Servatius is in 2000 een woningbouwproject gestart in Luik (België), bestaande uit woningen en bedrijfsruimten. Bij besluit van 5 december 2002 heeft de minister de toestemming voor het project geweigerd op grond van de locatie ervan in België. Volgens de minister had Servatius niet aannemelijk gemaakt dat dit project ten goede kon komen aan de Nederlandse woningmarkt en meer in het bijzonder aan de behoefte van woningzoekenden in de regio Maastricht. De rechtbank Maastricht die in mei 2006 over deze kwestie moest oordelen, was van mening dat het besluit van de minister een beperking vormde van het vrije kapitaalverkeer. De rechtbank stelt dat het belang van de volkshuisvesting op zichzelf als een uitzonderingsverbod kan worden beschouwd, maar de minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat het investeringsverbod noodzakelijk en proportioneel is. De rechtbank verklaart het door Servatius ingestelde beroep gegrond. Het ministerie stelt tegen deze uitspraak hoger beroep in bij de Raad van State, die vervolgens zeven prejudiciële vragen aan het Hof stelt.
Prejudiciële vragen
Over de inhoud van de prejudiciële vragen berichtten we reeds eerder. Voor inzicht hierin zie het dossier Staatssteun op onze website. Het Hof geeft als antwoord op de eerste drie vragen dat een procedure van voorafgaande toestemming voor grensoverschrijdende investeringen in onroerend goed een beperking vormt van het vrije verkeer van kapitaal. Een dergelijke regeling is slechts gerechtvaardigd wanneer zij gebaseerd is op objectieve criteria, die niet-discriminerend en vooraf kenbaar zijn, waarmee een grens kan worden gesteld aan de wijze van uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale autoriteiten, aldus het Hof.
Het Hof gaat niet in op de vragen 4 t/m 6 of een lidstaat zich kan beroepen op art. 86 lid 2 EG ter rechtvaardiging van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die wordt opgelegd aan ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang en waaraan bijzondere rechten zijn verleend. Het Hof is hier niet op in gegaan ‘aangezien deze bepaling geen toepassing vindt in een situatie als die in het hoofdgeding’.
De zevende (en laatste) vraag betrof de kwestie of het noodzakelijk is, ingeval een lidstaat financiële middelen ter beschikking stelt van ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, de activiteiten van deze ondernemingen territoriaal te begrenzen om te voorkomen dat deze middelen met artikel 87 EG strijdige ongeoorloofde staatssteun zouden vormen en dat deze ondernemingen met gebruik van deze middelen in een andere lidstaat de concurrentie vervalsen. Het Hof verklaart deze vraag echter niet-ontvankelijk.
Hoe verder?
Aan de Raad van State is nu de taak om, wat betreft de eerste drie vragen, te onderzoeken of aan de criteria die het Hof stelt (niet-discriminerend en vooraf kenbaar) is voldaan. De rechtbank Maastricht oordeelde eerder dat de Nederlandse regeling niet aan die criteria voldoet. Wat betreft de onbeantwoorde prejudiciële vragen is het wachten op een reactie of uitspraak van de Raad van State in deze casus. Europa decentraal houdt u van relevante ontwikkelingen hierover op de hoogte.
Meer info
Artikel Bart Hessel in Bouwrecht, ‘vijftien prejudiciële vragen in de zaak Sint Servatius’
Dossier staatssteun op onze website
Bron
Arrest van het Hof
Persbericht Servatius
Perscommuniqué nr. 83/2009 van het Hof van Justitie