HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieInbesteden

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Inbesteden

06-12-2011
Aanbesteden/jurisprudentie/csieduitsland
HvJEG 9 juni 2009, zaak C-480/06, Commissie tegen Duitsland
Het verlenen van publieke diensten door intergemeentelijke samenwerking vereist geen aanbesteding wanneer er geen private partner betrokken is. Aldus het Hof van Justitie EG in deze zaak. het Hof ziet deze zaak als een initiatief tot publiek publieke samenwerking zonder oprichting van een nieuwe entiteit. Het gaat hier om een rechtstreekse gunning van een opdracht tot afvalverijdering. Er wordt niet voldaan aan het toezichtscriterium maar de betreffende overeenkomst wordt gezien als de vestiging van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB).
In december 1995 sloten vier Duitse Landkreise (bestuursdistricten) in de buurt van Hamburg een contract met de Stadtreinigung van de stad Hamburg met betrekking tot de verwijdering van hun afvalstoffen in een vuilverbrandingsinstallatie gedreven door de Stadtreinigung Hamburg. Het contract werd gesloten zonder een voorafgaande aanbestedingsprocedure.
De Europese Commissie stelde dat de Landkreise moesten worden aangemerkt als een aanbestedende dienst in de zin van de aanbestedingsrichtlijn, dat het contract een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel betrof waarvan de waarde de drempelwaarde van de aanbestedingsrichtlijn overschreed, en dat de overeenkomst dus binnen de werkingssfeer van de richtlijn viel.

De uitspraak
Het Hof van Justitie stelt dat het samenwerkingsverband tussen de lokale overheden was opgericht met het doel te verzekeren dat een publieke taak die zij allen moeten vervullen wordt uitgevoerd. Daar het contract geen enkele private partij betrof, zou niets een lokale overheid moeten weerhouden om haar taken die haar in het publieke algemene belang zijn toegewezen uit te voeren met haar eigen middelen, zonder verplicht te moeten zijn om externe lichamen die niet tot haar diensten behoren op te roepen. Zij zou dit moeten mogen doen in samenwerking met andere overheidsinstanties.

Ten eerste concludeert het Hof dat het EG-recht niet vereist dat overheidsinstanties een bepaalde wettelijke vorm aannemen om gezamenlijk hun publieke diensttaken te kunnen uitvoeren. Ten tweede ondermijnt een dergelijke samenwerking tussen overheidsinstanties niet de hoofddoelstelling van de EG-regels voor aanbesteden.

Reactie CEMR
De Europese Vereniging van lokale en regionale autoriteiten, het CEMR, juicht de beslissing van het Hof van Justitie toe. De beslissing van het Hof is in lijn met hetgeen het CEMR al een aantal jaar voorstaat en met wat zij recent in een Europees Charter voor lokale en regionale diensten van algemeen belang heeft neergelegd. Intergemeentelijke samenwerking is een manier om diensten efficiënt te organiseren en is ook in het belang van burgers en bedrijven. Het Hof heeft hiermee het recht voor lokale overheden om zelf te beslissen hoe de taken waarvoor zij verantwoordelijk is het best georganiseerd kunnen worden bevestigd, aldus het CEMR.