Het Besluit milieueffectrapportage 1994 wordt zo snel mogelijk aangepast om de regelgeving overeen te laten komen met de Europese regels over milieueffectbeoordelingen (m.e.r.). Tot die tijd moet er bij de afweging, onder meer door decentrale overheden, of een m.e.r. dient te worden gemaakt ook onder de in het Besluit m.e.r. vastgestelde drempels rekening worden gehouden met de mogelijke milieueffecten. Dit schrijft het ministerie van VROM in reactie op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie dat Nederland de richtlijn onjuist heeft geïmplementeerd.
Milieueffectrapportages (m.e.r.’s) moeten worden gemaakt om de effecten op het milieu en de omgeving van een nieuw of gewijzigd project, bijvoorbeeld de bouw van een woonwijk, te toetsen. In de Europese regels hieromtrent, richtlijnen 97/11/EG en 2001/42/EG, zijn criteria vastgesteld op basis waarvan de afweging moet worden gemaakt of een m.e.r. nodig is of niet. Deze criteria hebben te maken met de omvang, de aard en de ligging van het project. Op basis van deze criteria mogen lidstaten drempelwaarden voor de voorziene milieubelasting bepalen, waaronder een MER niet noodzakelijk is. In Nederland is de m.e.r.-richtlijn geïmplementeerd in onder andere het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna Besluit m.e.r.).
Uitspraak Hof
Volgens het Besluit m.e.r. hoeft voor activiteiten die onder de drempels uit onderdeel D van de bijlage vallen, geen beoordeling te worden uitgevoerd. Het Hof van Justitie heeft bepaald dat er in Nederland te veel wordt gekeken naar enkel de omvang van het project, en te weinig rekening wordt gehouden met de kenmerken en de plaats van het project. Nederland heeft voor de projecten die onder de drempelwaarden uitkomen, niet aangetoond dat ze geen aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, terwijl de richtlijn dat wel eist, aldus het Hof.
Aanpassing Besluit
Het ministerie van VROM reageert op zijn website op de uitspraak van het Hof. VROM geeft hierin aan dat het Besluit m.e.r. zo snel mogelijk wordt aangepast om de regelgeving in overeenstemming met de richtlijn te brengen en verwacht dat het herziene besluit in het voorjaar van 2011 inwerking treedt. VROM wijst er verder op dat overheden tot die tijd rekening moeten houden met het arrest van het Hof.
Voorrang
Dit laatste is het gevolg van rechtspraak over de doorwerking van EU-recht, waaruit volgt dat als Verdragsbepalingen en nationale wetgeving in conflict zijn, het Gemeenschapsrecht voorrang heeft boven het nationale recht. Daarnaast bepaalt het beginsel van gemeenschapstrouw dat decentrale overheden zelf verantwoordelijk zijn indien de nationale wetgever verzuimt of niet tijdig of onjuist de rechtstreeks werkende bepalingen van de Richtlijn heeft omgezet. Dit betekent dus dat wanneer iemand bijvoorbeeld een provincie om een milieueffectbeoordeling verzoekt, deze provincie aan dit verzoek moet voldoen als dat uit de richtlijn blijkt, ook als het project onder de drempel van de D-lijst van het Besluit m.e.r. valt.
Advies VROM
VROM raadt het bevoegd gezag, waaronder decentrale overheden, aan om een korte en eenvoudige milieueffectbeoordeling uit te voeren voor activiteiten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben en op de D-lijst van het Besluit m.e.r. ónder de drempel vallen. Hierbij moeten, naast de drempels, ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Wanneer de conclusie wordt getrokken dat een milieueffectbeoordeling nodig is, kan contact worden opgenomen met Infomil voor nadere informatie. Dit kan aan de orde zijn bij activiteiten die op bijlage II van de richtlijn staan en die op de D-lijst van het Besluit m.e.r. onder de drempelwaarden vallen, maar toch een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben wegens hun aard of ligging.
Meer informatie:
Website VROM
Arrest C-255/08 (zoeken op website Europees Hof van Justitie)
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Website Europa decentraal over de milieueffectrapportage
Website Europa decentraal over Europees recht en decentrale overheden
Website Infomil over milieueffectrapportage
Website Commissie MER
Nieuwsbericht Europa decentraal over de uitspraak van het Hof
Bron:
Ministerie van VROM