HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieSociale en milieucriteria

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Sociale en milieucriteria

04-03-2011
Aanbesteden/jurisprudentie/sociale en milieucriteria
Voorzieningenrechter Alkmaar, 18 maart 2010, KG-ZA 10-44, LJNnr. BL7898, Douwe Egberts Coffee Systems Nederland B.V. tegen de gemeente Den Helder & de gemeente Alkmaar, alsmede de Stichting Max Havelaar
In deze zaak staat de vraag centraal of het de gemeenten Den Helder en Alkmaar is toegestaan handelsvoorwaarden in de aanbestedingsprocedure te hanteren, die voorschrijven dat alleen bedrijven die het Fair Trade label of een vergelijkbaar keurmerk voeren in aanmerking komen om een opdracht voor de levering en het onderhoud van warme drankenautomaten en bijbehorende producten te worden gegund. In de voorlopige voorziening komen ondermeer de volgende vragen aan de orde:

 
- Hoe dienen de betreffende handelsvoorwaarden te worden gekwalificeerd?
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de handelsvoorwaarden in casu gekwalificeerd dienen te worden als uitvoeringsvoorwaarden en niet als technische voorschriften. Dienovereenkomstig is artikel 26 Bao van toepassing; zie rechtsoverweging 4.6 t/m 4.8.

- Houden de voorwaarden ‘kostendekkende minimumprijs’, ‘additionele premie’ en ‘voorfinanciering’ die naar aanleiding van de Fair Trade criteria worden voorgeschreven voldoende verband met het voorwerp van de opdracht?
Deze vraag wordt bevestigend beantwoord; zie rechtsoverweging 4.9.

- Zijn de voorwaarden die de gemeenten stellen disproportioneel?
De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemeenten aansluiting hebben gezocht bij de uitgangspunten van de Fair Trade Labelling Organizations International (FLO), die door het Europees Parlement en de Europese Commissie zijn onderschreven. Het staat de gemeenten volgens de rechter vrij om dit ambitieniveau na te streven. De maatregel wordt zodoende niet disproportioneel bevonden; zie rechtsoverweging 4.10 t/m 4.11.

- Staat het beginsel van gelijke behandeling er aan in de weg dat de gemeenten dergelijke criteria hanteren, dan wel is er sprake van een beperking van het vrij verkeer van goederen en de mededinging?
Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gestelde criteria objectief gerechtvaardig zijn en niet bedoeld zijn om naar een bepaalde inschrijver toe te schrijven. In dit kader wordt door de rechter van belang geacht dat partijen aannemelijk hebben gemaakt dat alleen al in Nederland er ten minste twintig leveranciers gevestigd zijn die conform de gestelde voorwaarden kunnen leveren. Bovendien is de voorzieningenrechter van mening dat ook Douwe Egberts in beginsel aan de voorwaarden van de gemeenten kan voldoen, maar er  zelf voor kiest duurzaamheid na te streven via een ander keurmerk, te weten het Utz Certified label, dat andere principes hanteert; zie rechtsoverweging 4.13.

- Is er sprake van strijd met het transparantiebeginsel?
Ook deze vraag wordt door de voorzieningenrechter ontkennend beantwoord. Mocht er onduidelijkheid bestaan over de invulling van de handelsvoorwaarden, dan dient Douwe Egberts zich tot de gemeenten te wenden; zie rechtsoverweging 4.14.

- Is het Utz Certified label, dat door Douwe Egberts wordt gehanteerd minimaal gelijkwaardig aan de Fair Trade criteria van de FLO?
De voorzieningenrechter constateert dat bij de huidige stand van zaken binnen het bestek van het kort geding niet in een voldoende mate vastgesteld kan worden of beide keurmerken aan elkaar gelijk zijn. De rechter stelt weliswaar vast dat het concept leefbaar loon/leefbaar inkomen, dat in het Utz Certified label leidinggevend is, steeds meer ingang lijkt te vinden in de politiek, maar concludeert dat de gemeenten niet op het mogelijke toekomstige politieke beleid vooruit hoeven te lopen; zie rechtsoverweging 4.15 t/m 4.16.
Douwe Egberts wordt derhalve niet in het gelijk gesteld; zie rechtsoverweging 4.17 t/m 4.19.