HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieTransparantie

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Transparantie

04-03-2011
Aanbesteden/jurisprudentie/Ambulancediensten
HvJ EU, 29 april 2010, zaak C-160/08, Commissie tegen Duitsland (Ambulancediensten)
In deze zaak verzocht de Commissie het Hof vast te stellen dat Duitsland, door opdrachten inzake openbare ziekenvervoersdiensten niet op transparante wijze te hebben geplaatst en niet openbaar te hebben uitgeschreven en door geen mededeling betreffende gegunde opdrachten te hebben bekendgemaakt, de verplichtingen die voortvloeien uit de bepalingen in richtlijn 92/50/EEG en richtlijn 2004/18/EG niet is nagekomen en inbreuk heeft gemaakt op de in artikelen 43 EG (nu artikel 49 VWEU) en 49 EG (nu artikel 56 VWEU) neergelegde beginselen van de vrijheid van vestiging en het vrije verrichten van diensten. De Commissie had, met name van in andere lidstaten dan Duitsland gevestigde ondernemingen, verschillende klachten ontvangen over het plaatsen van opdrachten voor openbare ziekenvervoersdiensten in die lidstaat.
In Duitsland behoort de organisatie van de ambulancediensten tot de bevoegdheid van de deelstaten. Zij sluiten overeenkomsten met dienstverleners voor het verrichten van openbare ambulancediensten ten behoeve van de gehele bevolking binnen hun gebied. Die diensten worden ofwel rechtstreeks door de aanbestedende dienst vergoed volgens het zogenoemde ‘Submissionsmodell’ –  waarop het beroep in deze zaak betrekking heeft – ofwel door de dienstverlener aan de patiënten of ziekenfondsen in rekening gebracht volgens het zogenoemde ‘Konzessionsmodell’ (r.o. 23). Het Submissionsmodell houdt in dat de dienstverlener aan wie de opdracht is gegund, rechtstreeks wordt betaald door de aanbestedende dienst waarmee hij de overeenkomst heeft gesloten, of door een daaraan verbonden financieringsorgaan (r.o. 88).

Volgens de auteurs van de bij de Commissie ingediende klachten worden opdrachten voor het verlenen van openbare ziekenvervoersdiensten in Duitsland gewoonlijk niet op Europees niveau bekendgemaakt, en is de gunning daarvan niet transparant. Sommige klagers hebben verklaard dat de gevallen die tot hun klacht hebben geleid, een algemene praktijk in die lidstaat weergeven (r.o. 24).

Het Hof geeft aan dat de Commissie niet heeft aangetoond dat bij de betrokken opdrachten, of althans sommige daarvan, de waarde van de vervoersdiensten (IIA) hoger is dan die van de medische diensten (IIB) (r.o. 120) en evenmin dat er in casu sprake is van overheidsopdrachten met een grensoverschrijdend belang (r.o. 123). Een rechtvaardiging op grond van artikel 86 lid 2 EG (nu artikel 106 lid 2 VWEU), zoals betoogd door Duitsland en Nederland, wordt evenwel door het Hof verworpen (r.o. 130).

Uitspraak van het Hof:
Door bij het plaatsen van opdrachten inzake openbare spoedeisende vervoersdiensten en gekwalificeerde ziekenvervoersdiensten volgens het Submissionsmodell in de deelstaten Sachsen-Anhalt, Nordrhein-Westfalen, Niedersachsen en Sachsen geen mededeling betreffende de resultaten van de aanbestedingsprocedure bekend te maken, is Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10 van Richtlijn 92/50/EEG, juncto artikel 16 van die richtlijn, dan wel, sinds 1 februari 2006, krachtens artikel 22 van richtlijn 2004/18/EG, juncto artikel 35, lid 4, van die richtlijn.