HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieOverig

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Overig

04-03-2011
aanbestedingen/jurisprudentie/serrantoni
HvJ EU, 23 december 2009, zaak C-376/08, Serrantoni en Consorzio stabile edili
Het verzoek om een prejudiciële beslissing in deze zaak werd ingediend in het kader van een geding tussen de bouwonderneming Serrantoni Srl en de gemeente Milaan (Italië). De zaak betrof het besluit van deze gemeente om Serrantoni uit te sluiten van deelneming aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor werken, wegens overtreding van een Italiaanse wetsbepaling die de deelneming van een duurzaam consortium en diens leden aan dezelfde gunningsprocedure verbiedt en strafbaar stelt. Duurzame consortia (‘consorzi stabili’) zijn, naar Italiaans recht, consortia die bij besluit van hun respectieve bestuursorganen hebben besloten om gedurende een periode van ten minste vijf jaar gezamenlijk deel te nemen aan overheidsopdrachten voor werken, diensten en leveringen, en om daartoe een gezamenlijke ondernemingsstructuur in het leven te roepen. Het verzoek betrof de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2004/18/EG, van de artikelen 39 EG, 43 EG, 49 EG en 81 EG, en van de algemene beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid.
In antwoord op de eerste vraag van de verwijzende Italiaanse rechter, besloot het Hof dat de betreffende overheidsopdracht niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2004/18/EG viel, aangezien de waarde van de opdracht beneden de daarin gestelde drempelbedragen lag. Volgens de rechtspraak van het Hof vereist de toepassing van de fundamentele regels en de algemene beginselen van het Verdrag op de procedures voor het plaatsen van opdrachten met een waarde beneden de drempel voor toepassing van de communautaire voorschriften, evenwel dat de betrokken opdrachten een duidelijk grensoverschrijdend belang vertonen.

Met zijn tweede vraag wenste de verwijzende Italiaanse rechter te vernemen of de uit de artikelen 43 EG en 49 EG voortvloeiende algemene beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, alsook de artikelen 39 EG en 81 EG, aldus moesten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde was, op grond waarvan een duurzaam consortium alsook de ondernemingen die lid zijn van dat consortium automatisch worden uitgesloten van deelneming aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, en aan hen strafsancties kunnen worden opgelegd, wanneer bedoelde leden in het kader van dezelfde procedure offertes hebben ingediend die concurreren met die van het consortium, ook al zou de offerte van het consortium niet voor rekening en in het belang van die ondernemingen zijn ingediend.

Het Hof antwoordde dat het gemeenschapsrecht aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan, in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht waarvan de waarde lager ligt dan de in artikel 7 lid 1 sub c van Richtlijn 2004/18/EG vastgestelde drempel, maar die een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoont, een duurzaam consortium alsook de ondernemingen die lid zijn van dat consortium automatisch worden uitgesloten van deelneming aan die procedure, en aan hen strafsancties kunnen worden opgelegd, wanneer bedoelde leden in het kader van dezelfde procedure offertes hebben ingediend die concurreren met die van het consortium, ook al zou de offerte van het consortium niet voor rekening en in het belang van die ondernemingen zijn ingediend.