HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieRechtsbescherming

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Rechtsbescherming

04-03-2011
Aanbestedingen/jurisprudentie/Uniplex
HvJ EU, 28 januari 2010, zaak C-406/08, Uniplex
In deze zaak stelde een Britse rechter prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie over de uitleg van een van de twee rechtsbeschermingsrichtlijnen, richtlijn 89/665/EEG. De belangrijkste vraag was wanneer de termijn voor het instellen van beroep tegen een gunningsbeslissing begint te lopen.

Deze vraag kwam aan de orde in een aanbestedingsgeschil tussen Uniplex en een onderdeel van de Britse National Health Service (NHS). Uniplex is een Britse onderneming die hemostatica verhandelt die door Gelita Medical BV in Nederland worden geproduceerd. Het geschil gaat over de gunning van een raamovereenkomst voor de levering van hemostatica aan NHS. Uniplex had aangegeven belangstelling te hebben voor de door NHS in het Publicatieblad gepubliceerde opdracht en werd met vier andere leveranciers uitgenodigd een inschrijving te doen. Daarbij werden ook de gunningscriteria en de weging daarvan vermeld. Op 22 november 2007 laat NHS Uniplex weten dat haar inschrijving de laagste score heeft behaald en dat er met drie andere inschrijvers een raamovereenkomst zal worden gesloten. Uniplex verzoekt vervolgens om een nadere toelichting en krijgt die op 13 december 2007. Uniplex is niet tevreden met de toelichting en stelt op 12 maart 2008 beroep in bij de rechter. NHS stelt zich op het standpunt dat de beroepstermijn van drie maanden dan al verstreken is en Uniplex vóór 22 februari 2008 beroep had moeten instellen omdat de termijn op 22 november was ingegaan. Volgens Uniplex is de termijn pas gaan lopen op 13 december met de ontvangst van de toelichting en is het beroep dus op tijd ingesteld.

De eerste vraag van de Britse rechter was:
moet een nationale bepaling waarin is neergelegd dat een beroep “onverwijld, maar in elk geval binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de gronden voor het instellen van het beroep zich voor het eerst voordeden” moet worden ingesteld, tenzij er goede gronden zijn voor verlenging van de termijn, in die zin worden uitgelegd dat de termijn voor de betwisting van een de aanbestedingsprocedure en gunning begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de inschrijver wist of behoorde te weten dat de aanbestedingsprocedure en de gunning in strijd was met het communautaire aanbestedingsrecht, dan wel vanaf de datum waarop de schending van de toepasselijke aanbestedingsregels heeft plaatsgevonden? De verwijzende rechter vraagt het Hof bij de beantwoording van deze vraag de artikelen 1 en 2 van richtlijn 89/665/EEG, de communautaire rechtsbeginselen van gelijkwaardigheid, effectieve rechtsbescherming en/of doeltreffendheid, en andere relevante gemeenschapsrechtelijke beginselen in acht te nemen.

De tweede vraag die de verwijzende rechter stelde was op welke wijze een nationale rechterlijke instantie moet omgaan met i) een bepaling volgens welke het beroep onverwijld moet worden ingesteld, en ii) zijn discretionaire bevoegdheid om de nationale termijn voor het instellen van beroep te verlengen.

Het Hof antwoordt op de eerste vraag dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG vereist dat de termijn voor het instellen van een beroep begint te lopen vanaf de datum waarop de verzoeker van die schending kennis had of kennis had moeten hebben. De beroepstermijn gaat dus pas lopen op het moment dat een gegadigde of inschrijver kennis heeft gekregen van de redenen waarom hij van de procedure voor het plaatsen van een opdracht is uitgesloten. Pas dan kan immers beoordeeld worden of er sprake is van een schending van de geldende regels en of het zinvol is om tegen een vermeende schending beroep in te stellen.

Het antwoord op het eerste onderdeel van de tweede vraag is dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG zich verzet tegen een nationale regeling die een nationale rechter toestaat, een beroep vervallen te verklaren op grond van het discretionair gehanteerde criterium dat dergelijke beroepen onverwijld moeten worden ingesteld. Het antwoord op het tweede onderdeel luidt dat de richtlijn de nationale rechter verplicht om op zodanig wijze gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de beroepstermijn te verlengen dat wordt gegarandeerd dat de verzoeker beschikt over een termijn die gelijkwaardig is aan die waarover hij zou hebben beschikt indien de door de toepasselijke nationale regeling voorgeschreven termijn zou hebben gelopen vanaf de datum waarop hij kennis had of kennis had moeten hebben van de schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. Indien de nationale bepalingen over beroepstermijnen niet in overeenstemming met de rechtsbeschermingsrichtlijn kunnen worden uitgelegd, zou de nationale rechter ze buiten toepassing moeten laten, teneinde het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de rechten te beschermen die het aan particulieren toekent.