Het Hof stelt dat richtlijn 2004/18 weliswaar geen volledige harmonisatie nastreeft van de regeling van overheidsopdrachten in de lidstaten, maar dat dat niet wegneemt dat de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die door de lidstaten mogen worden gebruikt, limitatief zijn opgesomd in artikel 28 van de richtlijn. Hoewel de lidstaten vrij blijven om materiële en procedureregels inzake de aanbesteding van overheidsopdrachten te handhaven of vast te stellen, moeten zij daarbij opereren binnen het kader van gemeenschappelijke voorschriften van de richtlijn. De lidstaten zijn niet vrij om andere procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten in te voeren dan die welke worden opgesomd in de richtlijn.