De Europese Commissie stelt dat de stad Keulen een aanbesteding uit had moeten schrijven voor de opdracht van de te bouwen expositiehallen wat volgens haar een werkenopdracht in de zin van de richtlijn zou zijn. Duitsland brengt daartegenin dat in casu als contractpartner van GKM-GbR alleen Kolnmesse in aanmerking komt aangezien in werkelijkheid enkel deze twee vennootschappen door de hoofdovereenkomst zijn gebonden.
Het Europese Hof is het niet eens met de functionele uitleg van Duitsland. Op basis van de hoofdovereenkomst is de stad Keulen de enige contractpartner van GKM-GbR. De hoofdovereenkomst kan er niet toe leiden dat Kolnmesse in de plaats van de stad Keulen komt bij de nakoming van de contractuele verbintenissen van deze laatste.
Vervolgens moet dan nog nagegaan worden of het hier, zoals de Commissie beweert, om een werkenopdracht gaat, of, zoals Duitsland beweert, om een huuropdracht. Formeel wordt de overeenkomst tussen Keulen en GKM-GbR als een verhuurovereenkomst gekwalificeerd. Echter, het onmiddellijke doel van die overeenkomst kon niet de verhuur van gebouwen zijn aangezien met de oprichting daarvan nog niet was begonnen. Het voornaamste doel van de overeenkomst kon logischerwijs enkel de oprichting van die gebouwen zijn. Verder stelt het Hof dat de betrokken werken zijn uitgevoerd overeenkomstig de zeer gedetailleerde specificaties die door de stad Keulen in de hoofdovereenkomst zijn opgegeven. Die specificaties gaan veel verder dan de eisen die een huurder gewoonlijk aan een nieuw gebouw van een zekere grootte stelt. Het Hof concludeert dan ook het voornaamste doel van de hoofdovereenkomst de bouw van de betrokken expositiehallen conform de door de stad Keulen vastgestelde eisen was. Die hallen betreffen een werk in de zin van de aanbestedingsrichtlijn. Het betreft hier een overheidsopdracht voor werken die boven de Europese drempel uitkomt en die door Duitsland ten onrechte niet aanbesteed is.