HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieAlleenrecht

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Alleenrecht

22-11-2011
Aanbesteden/jurisprudentie/Betfair
HvJ EU 3 juni 2010, zaak 203/08,  Betfair
In deze zaak ging het om de exploitatie van kansspelen via internet. Er was sprake van een nationale regeling waarbij een vergunning slechts aan 1 marktdeelnemer wordt verleend. Uit de uitspraak blijkt dat de beginselen van transparantie en non-discriminatie/ gelijke behandeling ook bij alleenrecht-verlening in acht moeten worden genomen. In geval een exclusief recht wordt verleend aan een aanbestedende dienst met gebruik van privékapitaal lijkt moeilijk te kunnen worden voldaan aan het non-discriminatiebeginsel zonder een transparante procedure waardoor gelijke behandeling wordt gegarandeerd (zie ook overwegingen 47, 50, 59 en 60 Betfair). Een uitsluitend recht, dat per definitie de vrijheid van dienstverrichting van andere entiteiten beperkt, is alleen onder bepaalde voorwaarden gerechtvaardigd (zie onder meer overwegingen 23-25 Betfair, maar ook overwegingen 29-31 van zaak C-124/97, 21 september 1999, Läärä en overwegingen 52-55 van zaak C-42/07, 8 september 2009, Liga Portuguesa).
Rechtsvragen in Betfair:
Verzoek om een prejudiciële beslissing van de Raad van State in Nederland over uitlegging van artikel 49 EG-Verdrag (vrij verrichten van diensten; nu artikel 56 VWEU). Nationale regeling volgens welke het is verboden om zonder vergunning sportprijsvragen en een totalisator te organiseren, en waarbij een eventuele vergunning aan slechts één marktdeelnemer (op internet) wordt verleend, ter bescherming van het sociale welzijn en de volksgezondheid . Weigering om een vergunning te verlenen aan een marktdeelnemer (op internet) die reeds een vergunning bezit in andere lidstaten, waaronder de lidstaat waarin hij is gevestigd. Verlenging van een dergelijke vergunning zonder oproep tot mededinging. Dwingende redenen van algemeen belang.

De Raad van State heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:|
1)      Dient artikel 49 [EG] aldus te worden uitgelegd dat de toepassing van dit artikel tot gevolg heeft dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat niet, op grond van het in die lidstaat geldende gesloten vergunningenstelsel voor het aanbieden van diensten inzake kansspelen, kan verbieden dat een dienstaanbieder aan wie reeds een vergunning is verleend in een andere lidstaat voor het verrichten van die diensten via internet, deze diensten via internet ook aanbiedt in eerstgenoemde lidstaat?
2)      Is de uitleg die het Hof van Justitie aan artikel 49 [EG] en in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting gaf in enkele zaken die betrekking hadden op concessies, van toepassing op de procedure voor het verlenen van een vergunning voor het aanbieden van diensten inzake kansspelen in een wettelijk vastgelegd éénvergunningstelsel?
3)      a)     Kan in een wettelijk vastgelegd éénvergunningstelsel de verlenging van de vergunning van de bestaande vergunninghouder zonder dat potentiële gegadigden de kans krijgen mee te dingen naar deze vergunning een geschikt en proportioneel middel zijn ter realisering van de dwingende redenen van algemeen belang, die het Hof [...] heeft aanvaard als rechtvaardiging van de beperking van het vrij verkeer bij het aanbieden van diensten inzake kansspelen? Zo ja, onder welke voorwaarden?
         b)     Maakt het voor het antwoord op vraag 3a verschil of vraag 2 bevestigend dan wel ontkennend is beantwoord?

Antwoorden Hof:
Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die de organisatie en de bevordering van kansspelen aan een gesloten stelsel onderwerpt ten gunste van één marktdeelnemer en elke andere marktdeelnemer, een in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer daaronder begrepen, verbiedt om op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat via internet onder dit stelsel vallende diensten aan te bieden.

Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting van toepassing zijn op procedures voor de verlening en de verlenging van een vergunning aan één exploitant op het gebied van de kansspelen, voor zover het niet gaat om een openbare exploitant wiens beheer onder rechtstreeks toezicht staat van de Staat of om een particuliere exploitant op wiens activiteiten de overheid een strenge controle kan uitoefenen.

Antwoord Hof van Justitie EG in Läärä: De bepalingen van het EG-Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting staan niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling zoals de Finse, waarbij aan één enkel openbaar lichaam een uitsluitend recht tot exploitatie van speelautomaten wordt toegekend, zulks gelet op de doelstellingen van algemeen belang waarmee die regeling wordt gerechtvaardigd.

Antwoord Hof  van Justitie EG in Liga Portuguesa: Artikel 49 EG staat niet in de weg aan een regeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die marktdeelnemers als Bwin International Ltd die in andere lidstaten zijn gevestigd, waar zij rechtmatig soortgelijke diensten verrichten, verbiedt om via het internet kansspelen aan te bieden op het grondgebied van deze lidstaat.