Het Italiaanse Tribunale di
Ascoli Piceno heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Zijn
nationale voorschriften zoals in de artikelen 4, leden 1 en volgende, 4 bis en
4 ter van de Italiaanse wet nr. 401 (zoals laatstelijk gewijzigd bij artikel
37, lid 5, van wet nr. 388 van 23 december 2000), op grond waarvan het eenieder
die niet in het bezit is van de door het nationale recht vereiste concessies of
vergunningen, - onder strafbedreiging - verboden is om waar dan ook
activiteiten te verrichten op het gebied van het inzamelen, het aannemen, het
registreren en doorgeven van voorgestelde weddenschappen op, met name, de
uitslag van sportevenementen, onverenigbaar met de artikelen 43 en volgende en
49 en volgende EG-Verdrag, betreffende de vrije vestiging en het vrij
verrichten van grensoverschrijdende diensten, en wat zijn de gevolgen daarvan
voor de nationale rechtsorde?
Het antwoord van het Hof luidt:
Een nationale regeling op grond waarvan het onder
bedreiging met strafsancties verboden is om zonder een door de betrokken
lidstaat verleende concessie of vergunning activiteiten te verrichten op het
gebied van het inzamelen, het aannemen, het registreren en het verzenden van
voorgestelde weddenschappen op met name sportevenementen, vormt een beperking
van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten van
respectievelijk de artikelen 43 EG en 49 EG. Het staat aan de verwijzende
rechter, na te gaan of een dergelijke regeling, gelet op de wijze waarop zij in
concreto wordt toegepast, daadwerkelijk beantwoordt aan de ter rechtvaardiging
ervan aangevoerde doelstellingen en of de uit die regeling voortvloeiende
beperkingen, gelet op deze doelstellingen, niet onevenredig zijn.