Op grond van de conclusie van de AG, geeft deze het Hof in overweging als volgt te
beslissen:
1) Het Koninkrijk der Nederlanden heeft niet
voldaan aan de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen doordat de
Provincie Noord-Holland in het jaar 2008 in de procedure voor de gunning van een
overheidsopdracht voor de levering en het beheer van koffieautomaten
– in strijd met artikel 23, lid 6, van richtlijn
2004/18 dwingend heeft voorgeschreven dat de te leveren koffie en thee het
EKO-keurmerk of een op vergelijkbare criteria berustend keurmerk droegen,
– in de voorwaarden voor de uitvoering van de
opdracht in strijd met artikel 2 van richtlijn 2004/18 onnauwkeurige
‚kwaliteitseisen’ voor potentiële inschrijvers met betrekking tot ‚duurzaam
inkopen en maatschappelijk verantwoord ondernemen’ heeft opgenomen en
– in het kader van de gunningscriteria in strijd
met artikel 53, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/18 heeft aangegeven dat extra
punten werden toegekend indien de te leveren ‚ingrediënten’ waren voorzien van
de keurmerken EKO en/of Max Havelaar of van een op dezelfde criteria berustend
keurmerk.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.