HomeDossiersAanbestedingenJurisprudentieSociale en milieucriteria

Aanbestedingen

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Sociale en milieucriteria

19-12-2011
Aanbesteden/jurisprudentie/sociaalenmilieu/maxhavelaar
Conclusie van advocaat-generaal Kokott van het Europese Hof van Justitie, 15 december 2011, zaak C-368/10, Commissie tegen Nederland (Fair trade Max Havelaar koffie)
Na indiening van een klacht bij de Europese Commissie inzake een aanbestedingsprocedure voor koffieautomaten in de provincie Noord Holland heeft de Commissie een niet nakomingsprocedure gestart, waarin zij Nederland verwijt dat de aanbestedingsprocedure in strijd met richtlijn 2004/18 heeft plaatsgevonden. In de conclusie van de AG wordt onder meer ingegaan op het feit dat aanbestedende diensten volgens richtlijn 2004/18 in de aanbestedingsprocedure zonder meer rekening mogen houden met ecologische en sociale belangen, en dat zij daartoe uitdrukkelijk ook in de aanbestedingsvoorwaarden melding mogen maken van keurmerken op het gebied van milieu en eerlijke handel. De aanbestedende dienst mag echter niet verlangen dat de aan hem te leveren producten een heel concreet keurmerk dragen. Hij moet ook andere keurmerken toelaten en producten zonder enig keurmerk voor zover de milieukenmerken en de voorwaarden waaronder zij worden vervaardigd en in de handel worden gebracht gelijkwaardig zijn aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen. Bovendien mag de aanbestedende dienst bij de gunning van zijn opdracht niet het algemene inkoopbeleid van de inschrijver in de beschouwing betreden, maar alleen diens inkoopgedrag met betrekking tot de in het concrete geval te leveren producten. Wanneer de aanbestedende dienst van de inschrijver informatie en bewijzen aangaande de duurzaamheid van zijn producten en zijn bedrijfspolitiek verlangt, moet dit voldoen nauw verband houden met het voorwerp van de opdracht en concreet zijn geformuleerd. In het onderhavige geval heeft de provincie zich slechts gedeeltelijk aan deze regels gehouden. De AG concludeert dat in haar voorwaarden voor de gunning van de betreffende overheidsopdracht uit 2008 de provincie drie voorschriften heeft geschonden van het Unierecht: artikel 2, 23 lid 6 en 53 lid 1 sub a van richtlijn 2004/18.
Wanneer het uiteindelijke oordeel van het Hof van Justitie EU volgt is op dit moment nog niet bekend.
Op grond van de conclusie van de AG, geeft deze het Hof in overweging als volgt te beslissen:
1)      Het Koninkrijk der Nederlanden heeft niet voldaan aan de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen doordat de Provincie Noord-Holland in het jaar 2008 in de procedure voor de gunning van een overheidsopdracht voor de levering en het beheer van koffieautomaten
–        in strijd met artikel 23, lid 6, van richtlijn 2004/18 dwingend heeft voorgeschreven dat de te leveren koffie en thee het EKO-keurmerk of een op vergelijkbare criteria berustend keurmerk droegen,
–        in de voorwaarden voor de uitvoering van de opdracht in strijd met artikel 2 van richtlijn 2004/18 onnauwkeurige ‚kwaliteitseisen’ voor potentiële inschrijvers met betrekking tot ‚duurzaam inkopen en maatschappelijk verantwoord ondernemen’ heeft opgenomen en
–        in het kader van de gunningscriteria in strijd met artikel 53, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/18 heeft aangegeven dat extra punten werden toegekend indien de te leveren ‚ingrediënten’ waren voorzien van de keurmerken EKO en/of Max Havelaar of van een op dezelfde criteria berustend keurmerk.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.