Hof Arnhem 15 februari 2000, rolnr. KG 95/403, gemeenten Arnhem en Rheden tegen BFI Holding, Arnhem/Rheden/ BFI Holding B.V. (LJN AA 4837)
In dit geding was de vraag aan de orde of ARA als een aanbestedende dienst in de zin van de aanbestedingsrichtlijn diende te worden aangemerkt, zodat de gemeenten met recht een beroep konden doen op de uitzondering van het alleenrecht. Daarbij was met name aan de orde of ARA in de woorden van de richtlijn ‘is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard'. De vraag werd aan de orde gesteld of het bij de onderhavige ophaaldienst van huishoudelijk afval al dan niet ging om een behoefte van algemeen belang anders dan die van industriële of commerciële aard.
Voor de beantwoording van die vraag is met name van belang dat in Nederland de inzameling van huishoudelijk afval al lang vrijwel geheel door de overheid zelf geschiedde, in welk beleid eerst sinds omstreeks 1980 in die zin verandering is gekomen dat in een toenemend aantal gemeenten de feitelijke inzameling aan particuliere ondernemingen is opgedragen, en voorts dat de Nederlandse overheid voor de voorziening in de behoefte aan inzameling van huishoudelijk afval, eerst blijkens de Afvalstoffenwet en thans Wet Milieubeheer, ook bij dit nieuwe beleid een beslissende invloed heeft willen behouden en de zorg voor die inzameling niet geheel aan de markt heeft willen overlaten.
Al laat de wetgeving de mogelijkheid open dat inzameling van huishoudelijke afvalstoffen plaatsvindt door een van gemeentewege aangewezen inzameldienst, op milieutechnische gronden, daaronder begrepen gronden van volksgezondheid, heeft de overheid gemeend die afvalverwijderingstaak op zich te moeten nemen.
Tenslotte speelt de overheid een centrale rol in de financiering van de feitelijke inzameling; zij kan de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door middel van belastingen of heffingen leggen bij de aanbieders van huishoudelijk afval, die anders wellicht niet bereid zouden zijn betalingen te verrichten in verband met de afvoer van deze, voor hen waardeloze stoffen.
Dat in Nederland de feitelijke inzameling thans in aanzienlijke mate door particuliere ondernemingen, op basis van overheidsopdrachten geschiedt, doet er niet aan af dat het hier onmiskenbaar om een algemeen belang gaat en aanzien waarvan de Nederlandse overheid beslissende invloed heeft willen behouden.
Hieruit volgt dat ARA voldoet aan alle vereisten om te worden aangemerkt als publiekrechtelijke instelling als bedoeld in de Richtlijn. Het beroep van de gemeenten op de uitzondering van het alleenrecht is gegrond.