HvJ EG 26 april 1994, zaak C-272/91, Commissie/Italië- Lottomatica
Het Hof stelde in deze zaak dat de richtlijnen op diverse onderdelen een uitputtende regeling bevatten.
In deze zaak werden criteria gesteld op grond waarvan categorieën aannemers werden voorgetrokken/achtergesteld. Het Hof stond deze niet toe. Het Hof bevestigde in deze zaak het
gesloten karakter van het stelsel van geschiktheidseisen, selectie- en gunningscriteria.
In rechtsoverweging 30 stelt het Hof dat de Italiaanse regering betoogt, dat waar in casu aan de concessiehouder het speciale en exclusieve recht wordt verleend om een openbare dienst te verrichten - te weten het, althans ten dele, organiseren van de lotto -, hoe dan ook uitsluitend het voorschrift van artikel 2, lid 3, van de richtlijn in acht behoeft te worden genomen. Hierin is bepaald, dat indien "de Staat, een territoriaal lichaam of een van de publiekrechtelijke rechtspersonen of een van de overeenkomstige eenheden, genoemd in bijlage I, aan een andere concessiehouder dan de aanbestedende diensten, ongeacht de rechtsvorm hiervan, speciale of exclusieve rechten verleent om openbare diensten te verrichten, (...) in de akten van concessie (moet) worden bepaald dat deze concessiehouder, bij de overheidsopdrachten voor leveringen die hij bij derden plaatst, het beginsel van non-discriminatie op grond van de nationaliteit in acht neemt". Het Hof wijst dit betoog van de Italiaanse regering van de hand. Immers, zoals uit de rechtsoverwegingen 7 tot en met 11 van dit arrest blijkt, is de organisatie van de lotto niet overgedragen aan de concessiehouder, wiens taak beperkt is tot het verrichten van met de invoering en het beheer van het automatiseringssysteem verband houdende werkzaamheden van technische aard. Die werkzaamheden bestaan enerzijds in het verrichten van diensten ten behoeve van de overheid, en anderzijds in de levering van bepaalde goederen aan de overheid.