In de Finse Keukenzaak gaat het om de vraag of een Finse aanbestedende dienst bij een gegunde opdracht voor levering en installatie van cateringuitrusting het transparantiebeginsel in voldoende mate betracht heeft.
Voorafgaand aan de uitspraak van het Hof had Advocaat Generaal (AG) Sharpston op 18 januari 2007 al zijn opinie over deze zaak uitgebracht (zie hieronder), waarin hij onder andere aangaf dat met name lokale autoriteiten werden geraakt door de strikte interpretatie van de Europese Commissie aangaande het transparantiebeginsel.
Het Hof geeft nu in de uitspraak aan dat het verzoekschrift (waarmee de procedure van de Commissie tegen de lidstaat Finland -simpel gezegd- juridisch werd ingeleid en omschreven) van de Commissie in deze zaak niet voldoet aan de eisen van procesvoering. In rechtsoverweging 22 van de uitspraak worden die eisen beschreven.
De Commissie had met haar beroep gewenst dat het Hof zou vaststellen dat Finland de verplichtingen die op grond van artikel 28 van het EG-Verdrag (het zogenaamde verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen) op haar zouden rusten, niet is nagekomen. Dit omdat (zie rechtsoverweging 24 van de uitspraak en volgende) in het kader van de overeenkomst betreffende cateringuitrusting -waar het in deze zaak over gaat- inbreuk zou zijn gemaakt op fundamentele verdragsbepalingen, met name non-discriminatie, dat de verplichting tot transparantie inhoudt. De conclusies in het verzoekschrift zijn dubbelzinnig en op grond daarvan kan niet duidelijk en nauwkeurig worden vastgesteld wat de Commissie Finland verwijt, omdat deze conclusies tegelijkertijd betrekking hebben op artikel 28, op fundamentele verdragsbepalingen, op het beginsel van non-discriminatie en op de verplichting tot transparantie. Bovendien kan, noch uit de conclusies van het verzoekschrift, noch uit de tekst zelf hiervan, duidelijk en nauwkeurig worden opgemaakt welke maatregel in dit geval een kwantitatieve invoerbeperking of een maatregel van gelijke werking in de zin van dit artikel vormt.
Het Hof van Justitie geeft in deze zaak dus geen verdere invulling van het transparantiebeginsel bij aanbestedingen.
Opinie AG Sharpston, 18 januari 2007,
zaak C-195/04
In de voorbereiding van de definitieve uitspraak van het EG Hof van Justitie verscheen op 18 januari 2007de opinie van de Advocaat Generaal (AG) in de Finse keuken-zaak verschenen. AG Sharpston bepaalt onder andere dat de transparantieverplichting onder het EG-recht geen verplichting meebrengt voor contracten onder de drempelwaarde tot het doen van een marktverkenning in naburige lidstaten en een daarop afgestemde publicatie in bepaalde lidstaten en een bepaalde vorm. ‘Met name lokale autoriteiten, die vaker neigen om contracten van lagere waarden te sluiten dan grotere aanbestedende diensten, zouden hierdoor worden geraakt. Het zou een disproportionele en onrealistische last op hen leggen’. Sharpston is daarom van mening dat het bepalen wat een passende mate van openbaarheid voor contracten van lage waarde is, een zaak van nationaal recht is.
Deze Finse keuken- zaak is één van de zaken die het vraagstuk over de interpretatie van het EG-Verdragsbeginsel van de transparantie voor opdrachten die onder de drempel vallen concreter moeten gaan maken. In zijn opinie besteed Sharpston expliciete aandacht aan de belangen van decentrale overheden bij deze discussie. Voor decentrale overheden is de hele discussie van groot belang. Zij hebben in de praktijk veel te maken met opdrachten onder de aanbestedingsdrempel. Dit onderwerp zal dit jaar ook in Nederlandse wetgeving worden ingevuld in de (nadere regelgeving onder de) Aanbestedingswet.
De reactie van Sharpston zal door het Hof van Justitie van de EG gewogen worden, waarna binnen afzienbare termijn een definitieve uitspraak in de Finse keukenzaak volgt. Het Ministerie van Economische Zaken zal in de voorbereiding voor de nadere regelgeving onder de drempel zeker rekening dienen te houden met de uitspraken van het Europese Hof van Justitie.