HomeDossiersStaatssteunProceduresEconomische afweging

Staatssteun

Voorpagina Kernvragen Wet- en regelgeving Uitspraken Procedures Info&Service
 

Economische afweging

03-03-2010
Staatssteun procedures economische afweging
Volgens het EG-Verdrag is staatssteun verboden. Bepaalde steun die bijdraagt tot welomschreven doelstellingen van gemeenschappelijk Europees belang kan echter verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard. De Commissie weegt bij het beoordelen van staatssteun die een (decentrale) overheid aan ondernemers verstrekt, de positieve impact van deze steun (het behalen van een doelstelling van gemeenschappelijk belang) af tegen de potentiële negatieve effecten van deze maatregel (verstoring van het handelsverkeer en de mededinging). Deze al bekende analyse is sinds 2005 (Actieplan staatssteun) geleidelijk versterkt, dat wil zeggen, economischer en verfijnder geworden.

De afweging is geďntegreerd in de nieuwe beleidsregels van de Commissie, zoals de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV), de richtsnoeren milieusteun en de kaderregeling voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie. De Commissie past de economische afweging expliciet toe op zware steunmaatregelen die wegens een groter risico op een verstoring van de mededinging aan een nadere beoordeling worden onderworpen. Deze afweging wordt dus niet gedetailleerd toegepast op steun die onder een vrijstellingsverordening of onder de vereenvoudigde beoordeling van staatssteun valt. Sommige elementen van de afweging, zoals het aantonen van het stimulerende effect van een steunmaatregel komen echter wel terug in de vereisten van de AGVV en de beoordeling van eenvoudige steunmaatregelen in het kader van de genoemde richtsnoeren en kaderregelingen.

Economische afweging
De afweging verloopt in drie stappen; de eerste twee betreffen de positieve gevolgen van staatssteun en de laatste betreft de negatieve gevolgen:

1. Is de steunmaatregel gericht op een helder omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang, zoals groei, werkgelegenheid, milieu, cultuur en het vergroten van samenhang tussen de regio’s?

2. Is de steunmaatregel goed genoeg ontworpen om een doelstelling van gemeenschappelijk belang te kunnen realiseren, dat wil zeggen wordt met het steunvoornemen het marktfalen aangepakt of dient hij een andere doelstelling?

i) Is staatssteun een geschikt beleidsinstrument? Denk aan andere instrumenten zoals regelgeving.
ii) Is er een stimulerend effect: verandert de steun de gedragingen van ondernemingen? Bijvoorbeeld, wordt het volume van een project groter of had de activiteit zonder steun niet plaatsgevonden?
iii) Is de steun evenredig: kan het beoogde effect met minder steun worden bereikt?

3. Zijn vervalsing van de mededinging en de gevolgen voor het handelsverkeer beperkt, zodat de afweging al met al positief is?

Bij deze afweging komen verschillende beleidsmatige en juridische aspecten aan de orde, zoals het doel van een maatregel, de mogelijke effecten en eventuele alternatieven.

In juni 2009 hield de Commissie een raadpleging over haar werkdocument waarin zijn de gemeenschappelijke beginselen voor de economische afweging bij staatssteunzaken uiteenzet. Zij vraagt zich af welke economische instrumenten zij moet hanteren om de effecten van staatssteun te meten. De Commissie moet ook alternatieven voor de steun kunnen doorrekenen. Hiervoor wil de Commissie gemeenschappelijke beginselen formuleren. De Commissie wil geen afbreuk doen aan de richtsnoeren die reeds bestaan voor specifieke vormen van staatssteun (bijvoorbeeld op het gebied van O&O, innovatie, risicokapitaal of milieusteun). De uitkomst van deze consultatie kan wel gevolgen hebben voor vormen van steun die duidelijk buiten de werkingssfeer van alle richtsnoeren of groepsvrijstellingen vallen.

Zie het werkdocument van de Europese Commissie ‘Gemeenschappelijke beginselen voor een economische beoordeling van de verenigbaarheid van staatssteun met Artikel 87, lid 3’ (nieuw artikel 107 lid 3 VWEU) en deze website van de Commissie.

Meer informatie

Praktijkvraag De economische benadering van staatssteun
07-11-2011
Aantonen stimulerend effect grote ondernemingen
Commissiebrief over stimulerend effect steun aan grote ondernemingen  
Overheden mogen alleen steun op basis van de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) geven als dit daadwerkelijk een stimulerend effect heeft. De Europese Commissie heeft een brief over de toepassing van de Algemene Groepsvrijstelling bij steun aan grote ondernemingen naar alle lidstaten gestuurd. Grote ondernemingen moeten aantonen dat de AGVV-steun een duidelijk stimulerend effect heeft.

Het vereiste van een stimulerend effect van steun wordt in artikel 8 lid 3 van de AGVV genoemd. De steunverlenende overheid moet door middel van documenten van de begunstigde onderneming aantonen dat er een stimulerend effect is. De Commissie benadrukt in haar brief het belang van een zorgvuldige controle door de overheid. Zij geeft ook specifiek aan waaraan de documenten van de begunstigde grote ondernemingen moeten voldoen.

De Commissie benadrukt dat een eenvoudige verklaring van grote ondernemingen dat reikwijdte en omvang van het project vergroot niet volstaat om een stimulerend effect aan te tonen. Essentieel is daarom dat grote ondernemingen de levensvatbaarheid van het project aan de hand van een feitelijke en contrafeitelijke situatie aantonen. Er moet daarom ten minste worden toegezien op het volgende:

1. De begunstigde grote onderneming moet in een document de levensvatbaarheid van het project mét en zonder steun onderzocht hebben.

2. Dit interne document moet aan de steunverlener ter beschikking zijn gesteld, en een geloofwaardige analyse van het stimulerend effect bevatten.