Volgens het EG-Verdrag is staatssteun verboden. Bepaalde steun die bijdraagt tot welomschreven doelstellingen van gemeenschappelijk Europees belang kan echter verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard. De Commissie weegt bij het beoordelen van staatssteun die een (decentrale) overheid aan ondernemers verstrekt, de positieve impact van deze steun (het behalen van een doelstelling van gemeenschappelijk belang) af tegen de potentiële negatieve effecten van deze maatregel (verstoring van het handelsverkeer en de mededinging). Deze al bekende analyse is sinds 2005 (Actieplan staatssteun) geleidelijk versterkt, dat wil zeggen, economischer en verfijnder geworden.
De afweging is geďntegreerd in de nieuwe beleidsregels van de Commissie, zoals de
Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV), de
richtsnoeren milieusteun en de
kaderregeling voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie. De Commissie past de economische afweging expliciet toe op zware steunmaatregelen die wegens een groter risico op een verstoring van de mededinging aan een nadere beoordeling worden onderworpen. Deze afweging wordt dus niet gedetailleerd toegepast op steun die onder een vrijstellingsverordening of onder de vereenvoudigde beoordeling van staatssteun valt. Sommige elementen van de afweging, zoals het aantonen van het stimulerende effect van een steunmaatregel komen echter wel terug in de vereisten van de AGVV en de beoordeling van eenvoudige steunmaatregelen in het kader van de genoemde richtsnoeren en kaderregelingen.
Economische afweging
De afweging verloopt in drie stappen; de eerste twee betreffen de positieve gevolgen van staatssteun en de laatste betreft de negatieve gevolgen:
1. Is de steunmaatregel gericht op een helder omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang, zoals groei, werkgelegenheid, milieu, cultuur en het vergroten van samenhang tussen de regio’s?
2. Is de steunmaatregel goed genoeg ontworpen om een doelstelling van gemeenschappelijk belang te kunnen realiseren, dat wil zeggen wordt met het steunvoornemen het marktfalen aangepakt of dient hij een andere doelstelling?
i) Is staatssteun een geschikt beleidsinstrument? Denk aan andere instrumenten zoals regelgeving.
ii) Is er een stimulerend effect: verandert de steun de gedragingen van ondernemingen? Bijvoorbeeld, wordt het volume van een project groter of had de activiteit zonder steun niet plaatsgevonden?
iii) Is de steun evenredig: kan het beoogde effect met minder steun worden bereikt?
3. Zijn vervalsing van de mededinging en de gevolgen voor het handelsverkeer beperkt, zodat de afweging al met al positief is?
Bij deze afweging komen verschillende beleidsmatige en juridische aspecten aan de orde, zoals het doel van een maatregel, de mogelijke effecten en eventuele alternatieven.
In juni 2009 hield de Commissie een raadpleging over haar werkdocument waarin zijn de gemeenschappelijke beginselen voor de economische afweging bij staatssteunzaken uiteenzet. Zij vraagt zich af welke economische instrumenten zij moet hanteren om de effecten van staatssteun te meten. De Commissie moet ook alternatieven voor de steun kunnen doorrekenen. Hiervoor wil de Commissie gemeenschappelijke beginselen formuleren. De Commissie wil geen afbreuk doen aan de richtsnoeren die reeds bestaan voor specifieke vormen van staatssteun (bijvoorbeeld op het gebied van O&O, innovatie, risicokapitaal of milieusteun). De uitkomst van deze consultatie kan wel gevolgen hebben voor vormen van steun die duidelijk buiten de werkingssfeer van alle richtsnoeren of groepsvrijstellingen vallen.
Zie het werkdocument van de Europese Commissie ‘Gemeenschappelijke beginselen voor een economische beoordeling van de verenigbaarheid van staatssteun met Artikel 87, lid 3’ (nieuw artikel 107 lid 3 VWEU) en deze website van de Commissie.
Meer informatie
Praktijkvraag De economische benadering van staatssteun