Decentrale overheden kunnen aan een exploitant van openbaar vervoersdiensten een exclusief recht toekennen. In dit kader worden in artikel 5, lid 1 van de PSO-verordening de
aanbestedingsrichtlijnen, te weten richtlijn
2004/17/EG en richtlijn
2004/18/EG, van toepassing verklaard.
Met het begrip ‘exclusief recht’ wordt in de PSO-verordening bedoeld: ‘het recht van een exploitant van openbare diensten om bepaalde openbare personenvervoersdiensten van een lijn, net of gebied te exploiteren, met uitsluiting van andere exploitanten’.
De gevolgen van het toekennen van een exclusief recht worden in de PSO-verordening omschreven:
Wanneer een
bevoegde autoriteit, in de meeste gevallen een gemeente of een provincie, aan een bepaalde exploitant een exclusief recht ( ook wel alleenrecht of bijzonder recht genoemd) toekent, is zij overeenkomstig artikel 3, lid 1 van de PSO-verordening verplicht een openbaredienstcontract te sluiten.
In de PSO-verordening staat omschreven wat wordt bedoeld met een openbaredienstcontract: ‘één of meer juridisch bindende overeenkomsten tussen een bevoegde instantie en een exploitant van openbare diensten waarbij de exploitant van openbare diensten in het kader van de openbaredienstverplichtingen wordt belast met het beheer en de exploitatie van openbare personenvervoersdiensten. Naar gelang de wetgeving van de lidstaten kan het contract ook bestaan in een door een bevoegde instantie genomen besluit, in de vorm van een specifieke wettelijk of bestuursrechtelijk besluit, of waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder de bevoegde instantie de diensten zelf mag verzekeren of toevertrouwen aan een interne exploitant.
’
Op basis van artikel 4 van de PSO-verordening wordt in een dergelijk openbaredienstcontract:
a) duidelijk omschreven welke openbaredienstverplichtingen door de exploitant van openbare diensten worden nagekomen en in welke gebieden deze verplichtingen van toepassing zijn;
b) vooraf op objectieve en transparante wijze vastgesteld
i) op basis van welke parameters de eventuele compensaties worden berekend, en
ii) wat de aard en omvang van eventuele exclusieve rechten is, zodanig dat overcompensatie wordt voorkomen. Voor overeenkomstig artikel 5, leden 2, 4, 5 en 6, gegunde openbaredienstcontracten worden deze parameters zodanig vastgesteld dat de compensatie in geen geval het bedrag overschrijdt dat nodig is om het netto-financiële effect op kosten en inkomsten van de nakoming van de openbaredienstverplichtingen te dekken, waarbij rekening moet worden gehouden met de door de exploitant van openbare diensten ingehouden ontvangsten ter zake en een redelijke winstmarge;
c) vastgesteld hoe de kosten van de dienstverlening worden verdeeld. Het kan in het bijzonder gaan om personeelsuitgaven, energiekosten, rechten voor het gebruik van infrastructuur, onderhouds- en herstellingskosten van voertuigen gebruikt voor openbaar vervoer, rollend materieel en installaties die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van personenvervoersdiensten, vaste kosten en een passende vergoeding voor het eigen kapitaal.