Rechtstreekse werking
Met het
Van Gend en Loos-arrest (
26/62) introduceerde het Europese Hof van Justitie het beginsel van de rechtstreekse werking van het Gemeenschapsrecht in de lidstaten. In deze zaak uit 1963 stelde het Hof dat de communautaire rechtsorde een rechtstreekse bron van rechten en plichten vormt voor zowel lidstaten als burgers. De Gemeenschap, zo stelde het Hof, moet namelijk worden gezien als een nieuwe rechtsorde in het internationale recht.
De Nederlandse onderneming Van Gend en Loos werd bij invoer van goederen vanuit Duitsland geconfronteerd met een invoerheffing. Dit was volgens Van Gend en Loos een door het EEG-Verdrag verboden verhoging van douanerechten. Het Hof kreeg hierover twee prejudiciële vragen voorgelegd. Ten eerste vroeg de nationale rechter of de verdragsbepaling waarop een beroep werd gedaan ‘interne’ werking had. Ten tweede werd gevraagd of, indien de eerste vraag bevestigend werd beantwoord, de toepassing van de bestreden invoerheffing in strijd was met het EEG-Verdrag.
Het Hof bevestigde daarop dat verdragsbepalingen, voor zover deze ‘duidelijk’ en ‘onvoorwaardelijk’ zijn, inderdaad rechtstreekse of directe werking hebben. Dat wil zeggen dat burgers zonder tussenkomst van de lidstaat voor de nationale rechter een beroep kunnen doen op een dergelijke bepaling. Een groot aantal verdragsbepalingen heeft rechtstreekse werking, zoals de artikelen over het vrije verkeer, vervoer en staatssteun. Het Hof oordeelt in laatste instantie of een verdragsbepaling, een bepaling in een verordening of een bepaling in een richtlijn rechtstreekse werking heeft.
Voorrang Europees recht
In de zaak
Costa/ENEL (
6/64) uit 1964 werd door het Europese Hof van Justitie de voorrang van het Gemeenschapsrecht op nationale wetgeving vastgesteld. Met dit arrest werd het autonome karakter van het Gemeenschapsrecht onderstreept.
Een Italiaanse rechter vroeg het Hof in
Costa/ENEL of de Italiaanse wetgeving tot nationalisatie van de elektriciteitsproductie en -distributie verenigbaar was met aan aantal bepalingen van het EEG-Verdrag. De rechter vroeg zich af of deze nationale wetgeving, gezien het feit dat deze van latere datum was dan het EEG-Verdrag, voorrang had op het EEG-Verdrag.
Het Hof stelde daarop dat de lidstaten hun soevereiniteit voor een deel hebben overgedragen aan (destijds) de EEG en daarmee een autonome rechtsorde hebben gecreëerd. Lidstaten mogen daarom niet op een later tijdstip nationale maatregelen nemen die in strijd zijn met het Europees recht. In geval van conflict geniet het Europees recht voorrang boven het recht van de lidstaten. Dit beginsel wordt aangeduid als de suprematie van het Europees recht.
In het
Simmenthal-arrest (
106/77) uit 1978 werd de voorrang van het Gemeenschapsrecht door het Hof bevestigd. Het Hof voegde aan de bovengenoemde rechtspraak toe dat, als gevolg van het beginsel van voorrang, vanaf het moment dat verdragsbepalingen en rechtsregels afkomstig van de instellingen (bijv. verordeningen) in werking treden, daarmee strijdige nationale wetgeving buiten toepassing moet worden gelaten. Bovendien mogen de lidstaten vanaf dat moment ook geen nieuwe rechtsregels meer uitvaardigen die in strijd zijn met de gestelde Europese normen.