HomeDossiersMilieuJurisprudentieRichtlijnconforme interpretatie

Milieu

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Richtlijnconforme interpretatie

23-09-2010
milieu/jurisprudentie/richtlijnconforme interpretatie
Nationale wetgeving moet zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van het Europees recht. Particulieren kunnen zich volgens vaste rechtspraak van het Hof  tegenover de overheid beroepen op onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke bepalingen van een richtlijn (zaak 148/78, Ratti). De bevoegde nationale autoriteiten en rechters dienen aan bepalingen van nationaal recht een uitlegging te geven die zo veel mogelijk verenigbaar is met de doelstellingen van deze richtlijn (zaak C-106/89, Marleasing). Wanneer een dergelijke uitlegging niet kan worden gegeven, dienen zij nationale voorschriften die onverenigbaar zijn met deze richtlijn buiten toepassing te laten. Deze verplichting, die wordt aangeduid als richtlijnconforme interpretatie, staat los van de rechtstreekse werking. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verkiest richtlijnconforme interpretatie veelal boven rechtstreekse werking.

Het rechtszekerheidsbeginsel stelt grenzen aan de richtlijnconforme interpretatie. Anders gezegd: de burger moet wel kunnen weten waar hij aan toe is. In de zaak Kolpinghuis (80/86) uit 1987 gaf het Hof aan dat de verplichting van de nationale rechter om nationale wet- en regelgeving, in dit geval een gemeenteverordening, richtlijnconform te interpreteren haar begrenzing vindt in de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van het EU recht, en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht (‘non-retroactiviteit’). Richtlijnconforme interpretatie, zo stelde het Hof, kan niet worden gebruikt om de strafrechtelijke aansprakelijkheid jegens de burger te vestigen of te verzwaren.

Uit het Pupino-arrest (C-105/03) uit 2005 blijkt voorts dat richtlijnconforme interpretatie contra legem (d.w.z. tegen de wet in) niet is toegestaan. De zaak Pupino betrof een verzoek tot een prejudiciële beslissing met betrekking tot enkele artikelen van het kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (2001/220/JAI). Kleuterleidster Maria Pupino werd ervan verdacht kinderen lichamelijk letsel te hebben toegebracht. De Italiaanse rechter wilde weten of hij het nationale strafprocesrecht conform het kaderbesluit moest uitleggen.

Het Hof stelde dat het dwingende karakter van kaderbesluiten de nationale instanties, met name de nationale rechter, verplicht tot conforme uitlegging van hun nationale recht. Dit leidde het Hof af uit de identieke bewoording van (oud) artikel 34 lid sub b EU (kaderbesluiten) en (oud) artikel 249 derde alinea EG (richtlijnen). Het Hof oordeelde echter dat de verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging van de relevante bepalingen van zijn nationale recht, haar grenzen vindt in de algemene rechtsbeginselen en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non-retroactiviteit. Conforme uitlegging, zo voegde het Hof toe, houdt daar op waar het nationale recht niet zodanig kan worden toegepast dat het tot een resultaat leidt dat verenigbaar is met het door het kaderbesluit beoogde resultaat. Oftewel, het beginsel van conforme interpretatie kan niet als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.

Overigens bestaat het kaderbesluit, sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, niet langer als rechtsinstrument. Daarmee is het Pupino-arrest dus grotendeels irrelevant geworden.