HomeDossiersMilieuJurisprudentieAansprakelijkheid

Milieu

Voorpagina Wet- en regelgeving Jurisprudentie Praktijk Info&Service
 

Aansprakelijkheid

25-08-2011
milieu/jurisprudentie/aansprakelijkheid
Aansprakelijkheid schade als gevolg van niet-omzetting Europese richtlijn in nationale wetgeving
Een lidstaat is gehouden de schade te vergoeden die particulieren lijden ten gevolge van de niet-omzetting van een richtlijn in nationaal recht, zo bepaalde het Hof in de gevoegde zaken Francovich en Bonifaci (C-6/90 en C-9/90) uit 1991. Het Hof leidde deze verplichting af uit het beginsel van loyale samenwerking (tegenwoordig te vinden in artikel 4 lid 3 VEU).

Hoewel in de Verdragen niets was neergelegd omtrent aansprakelijkheid van de lidstaten voor schending van het Europees recht (in tegenstelling tot aansprakelijkheid van de instellingen), oordeelde het Hof in Francovich en Bonifaci dat het een beginsel van Europees recht is dat de lidstaten verplicht zijn tot vergoeding van de schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Europees recht die hun kunnen worden toegerekend. Het Hof stelde drie vereisten voor staatsaansprakelijkheid. In de eerste plaats moet het door de richtlijn voorgeschreven resultaat de toekenning van rechten aan particulieren inhouden. In de tweede plaats moet de inhoud van die rechten kunnen worden vastgesteld op basis van de bepalingen van de richtlijn. En ten slotte moet er een causaal verband bestaan tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade.

De hierboven besproken aansprakelijkheid geldt in beginsel voor elk overheidsorgaan, dus ook voor decentrale overheden. Dit heeft het Hof verduidelijkt in de zaak Larsy (C-118/00) uit 2001.

In de gevoegde zaken Brasserie du Pêcheur en Factortame e.a. (C-46/93 en C-48/93) uit 1996 stelde het Hof grenzen aan de aansprakelijkheid van de lidstaten. Wanneer een schending van het gemeenschapsrecht door een lidstaat is toe te rekenen aan de nationale wetgever, die optreedt in een materie waarin hij bij het maken van normatieve keuzes over een ruime beoordelingsmarge beschikt, hebben de benadeelde particulieren recht op schadevergoeding. Dit geldt wanneer de geschonden regel van Europees recht ertoe strekt hun rechten toe te kennen, het om een voldoende gekwalificeerde schending gaat en er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade.

De bovengenoemde voorwaarde ‘voldoende gekwalificeerde schending’ is door het Hof nader ingevuld in de gevoegde zaken Dillenkofer e.a. (C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/94) uit 1996. In de eerste plaats is een schending voldoende gekwalificeerd, wanneer een instelling of een lidstaat bij de uitoefening van zijn normatieve bevoegdheid de grenzen waarbinnen hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft miskend; in de tweede plaats kan, wanneer de betrokken lidstaat op het moment van de inbreuk niet voor normatieve keuzes stond en slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge had, de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan.

Wanneer dus, zoals in Francovich en Bonifaci, een lidstaat binnen de gestelde termijn geen enkele van de maatregelen neemt die noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat, miskent hij kennelijk en ernstig de grenzen waarbinnen hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden dient te blijven.

Aansprakelijkheid en 'de vervuiler betaalt' principe
Bedrijven die dicht in de buurt van vervuild gebied zijn gevestigd kunnen aansprakelijk worden gesteld voor deze vervuiling, bevestigde het Europese Hof van Justitie in maart 2010 in een uitspraak naar aanleiding van een prejudiciële vraag van een Siciliaanse rechter (C378/08) over de Europese Richtlijn Milieuaansprakelijkheid (2004/35/EG). In deze zaak hield de Italiaanse overheid chemiebedrijven in Augusta, Sicilië, verantwoordelijk voor de vervuiling van de haven en eiste herstel van de vervuilde gebieden. Immers: de vervuiler betaalt. Volgens de betrokken bedrijven had de overheid geen onderscheid gemaakt tussen eerdere vervuiling en de huidige vervuiling. Ook zou de overheid geen onderzoek hebben gedaan naar de individuele verantwoordelijkheid per bedrijf. Volgens het Hof kan de bevoegde (decentrale) overheid het vervuilende bedrijf echter wel degelijk dwingen de veroorzaakte milieuschade te herstellen.  

Meer informatie:
Persbericht Hof van Justitie van de Europese Unie ‘Operators with installations located close to a polluted area may be deemed to be liable for the pollution’
Praktijkvraag Europa decentraal over de Richtlijn Milieuaansprakelijkheid
Dossier Europa Decentraal over Milieuaansprakelijkheid