Decentrale
overheden op alle niveaus hebben te maken met het onderhoud en beheer van
zwemwater. Europees beleid en regelgeving op dit gebied is daarom relevant voor
zowel provincies, waterschappen als gemeenten. Europa bepaalt dat overheden
zwemwater moeten aanwijzen en er tegen 2015 voor moeten zorgen dat de kwaliteit
van dit water minimaal aanvaardbaar is.
|
Decentrale
overheden en zwemwater
Het Rijk en de provincies wijzen zwemwateren aan in waterplannen op grond van
de Waterwet (beheerplan voor de rijkswateren door de Minister van VenW (huidige
I&M) en regionale plannen door provinciale staten). Waterschappen nemen
deze zwemwateren vervolgens op in hun beheerplannen.
Gedeputeerde staten stellen een inventarisatie op van de plaatsen waar door een
aanmerkelijk aantal personen wordt gezwommen. De provincie draagt zorg voor
publieksvoorlichting, bijvoorbeeld via folders, internet en het plaatsen van
borden bij zwemlocaties.
De waterbeheerder van de zwemwaterlocatie monitort de zwemwaterkwaliteit
gedurende het badseizoen van 1 mei tot 1 oktober. Tijdens en na afloop van het
badseizoen rapporteert de waterbeheerder de waterkwaliteitsgegevens aan de
provincie. |
Beleid
In
2000 kondigde de Europese Commissie een nieuw zwemwaterbeleid aan (
Mededeling (COM(2000)
860 definitief).
De nieuwe regelgeving vloeide voort uit het Zesde Milieuactieprogramma, de strategie voor duurzame ontwikkeling en de Kaderrichtlijn Water (KRW).
In de nieuwe regelgeving moest volgens de Commissie meer rekening worden
gehouden met de relevante technische vooruitgang. Ook wilde de Commissie de
bureaucratische lasten, die de oude Zwemwaterrichtlijn met zich meebracht, verminderen.
Wet- en regelgeving
Sinds
24 maart 2006 is de Europese Zwemwaterrichtlijn (
2006/7/EG) van kracht. De
richtlijn is een aanvulling op de Kaderrichtlijn Water. De oude
Zwemwaterrichtlijn uit 1976 (
76/160/EEG) vervalt met ingang
van 31 december 2014.
Doel richtlijn
Doel van de richtlijn is het behoud, de bescherming en de verbetering van de
kwaliteit van het zwemwater en de bescherming van de gezondheid van de mens. De
richtlijn is van toepassing op elk oppervlaktewater waar een groot aantal
mensen zal zwemmen en waar zwemmen niet permanent verboden is of waarvoor geen
permanent negatief zwemadvies bestaat.
Lidstaten moeten zwemwateren aanwijzen en de duur van het badseizoen bepalen. Op
basis van de metingen van een aantal jaren moeten zwemlocaties aan het eind van
het badseizoen van 2015 minimaal in de klasse ‘aanvaardbaar’ kunnen worden
ingedeeld. In de toelichting bij de richtlijn staat nadrukkelijk vermeld dat
dit een een resultaatverplichting is. Op langere termijn moet alle zwemwater
dan ook ‘goed’ of ‘uitstekend’ zijn. Aan dit doel is geen tijdslimiet aan
verbonden.
De
kwaliteit van het zwemwater moet worden vastgesteld aan de hand van twee
bacteriën: intestinale enterokokken en escherichia coli (E.coli) (zie bijlage
1, kolom A van de Zwemwaterrichtlijn).
In
deze
tabel zijn de
belangrijkste deadlines opgenomen.
Comitologie
De Europese
Commissie wordt bijgestaan door een comité (artikel 16). Dit comité heeft de volgende
bevoegdheden: