HomeDossiersStaatssteunVoorpaginaLandbouw

Staatssteun

Voorpagina Kernvragen Wet- en regelgeving Uitspraken Procedures Info&Service
 

Landbouw

18-02-2007
Staatssteun landbouw decentrale aspect
Decentrale overheden hebben onder andere te maken met de staatssteunregels in de landbouwsector bij steunverlening aan boeren en natuurbeschermingsorganisaties. Vaak verlenen decentrale overheden aanvullende steun aan ondernemingen naast een bijdrage van de lidstaat of als eigen bijdrage naast Europese subsidies. Zo dienen decentrale overheden rekening te houden met de staatssteunregels bij:
- de ILG-maatregelen (Investeringsbudget Landelijk Gebied). Door de invoering van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) in 2007, gaat veel van de uitvoering van het (rijks)plattelandsbeleid, inclusief beheer van het landelijk gebied, over naar de provincies;
- de provinciale POP-maatregelen (Plattelandsontwikkelingsprogramma) (ILG- + EU-gelden gecombineerd) en
- autonome steunmaatregelen van decentrale overheden, bij steun voor het leveren van groene diensten.
29-01-2010
Staatssteun landbouw definitie
Definities
De term landbouwsector heeft betrekking op ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Onder ‘landbouwproducten’ worden in hoofdzaak verstaan de in bijlage I bij het EG-Verdrag opgenomen producten, met uitzondering van visserijproducten en producten van de aquacultuur (Verordening nr. 104/2000). Voor volledige definities met betrekking tot de landbouwsector zie art. 2 lid 2, 3 en 4 van de Verordening nr. 1857/2006).

'Ondernemingen van de landbouwproductiesector' - ondernemingen die actief zijn op het gebied van de primaire productie van landbouwproducten.

'Verwerking van landbouwproducten' - elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden.

'Afzet van landbouwproducten' - het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid; verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke lokalen.
07-03-2011
Staatssteun landbouw wetgeving algemeen
Wetgeving
De doelstellingen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid zijn vastgesteld in artikel 33 van het EG-Verdrag. Met het oog op de specifieke kenmerken van landbouwsector en zijn historische plaats in het gemeenschappelijke beleid, gelden er specifieke regels voor staatssteun in de landbouwsector.

Bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 ('de verordening inzake plattelandsontwikkeling') is het kader voor het beleid inzake plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013 vastgesteld en is de rol van plattelandsontwikkeling als tweede pijler van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) bevestigd. De artikelen 88 en 89 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bevatten specifieke bepalingen over staatssteun. In artikel 5 is bepaald dat steun voor maatregelen inzake plattelandsontwikkeling in overeenstemming moet zijn met het Verdrag en met alle krachtens het Verdrag vastgestelde besluiten.

Op 28 januari 2011 heeft de Europese Commissie een wijziging van de controleverordening die toeziet op het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) gepubliceerd. De verordening stelt de implementatiebepalingen vast van controleprocedures ten aanzien van steunmaatregelen. Deze verordening kan van belang zijn voor (decentrale) overheden die steunmaatregelen uitvoeren op basis van Plattelandsverordening 1698/2005Verordening 65/201 vervangt controleverordening 1975/2006 en stelt uitvoeringsbepalingen vast met betrekking tot de toepassing van controleprocedures die in het kader van steunmaatregelen op basis van Plattelandsverordening 1698/2005 worden verleend. De implementatieverordening verduidelijkt een aantal beheers- en controlebepalingen uit Verordening 73/2009 en Verordening 1122/2009 zodat de naleving van de voorwaarden van de Plattelandsverordening 1698/2005 doeltreffender zal worden.
13-02-2007
Staatssteun titel vrijstellingsverordening landbouw 2
Vrijstellingsverordening landbouw
17-02-2009
Staatssteun landbouw vrijstellingsverordening
Sinds 1 januari 2007 geldt voor de landbouwsector de Vrijstellingsverordening nr. 1857/2006. Volgens deze verordening zijn bepaalde soorten steun aan kleine en middelgrote ondernemingen vrijgesteld van aanmeldingsplicht bij de Commissie. Met deze verordening wordt een nieuwe methodiek geïntroduceerd. Deze vrijstelling is van toepassing op steun voor het landbouw-MKB dat in de primaire productie van landbouwproducten actief is (behalve artikel 9 van de verordening). Steun ten behoeve van afzet en verwerking van landbouwproducten door het MKB valt onder de Vrijstellingsverordening nr. 70/2001.

Ook steun die vóór de inwerkingtreding van deze verordening (zonder goedkeuring van de Commissie) is verleend, maar die wel aan de voorwaarden van de verordening voldoet, zal als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd. De steun die onder de ‘oude’ Vrijstellingsverordening nr. 1/2004 is verleend en aan alle voorwaarden van de ‘nieuwe’ vrijstellingsverordening voldoet, blijft vrijgesteld.

De vrijgestelde categorieën van steun zijn onder meer:
- Investeringssteun in landbouwbedrijven tot 40%;
- Instandhouding van traditionele landschappen en gebouwen tot 100%;
- Verplaatsing van landbouwbedrijven in algemeen belang tot 100%;
- Steun aan jonge landbouwers en steun voor vervroegde uittreding;
- Steun voor producentengroeperingen;
- Steun met betrekking tot dier- en plantenziekten en door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen;
- Steun ter bevordering van de productie van kwaliteitslandbouwproducten;
- Technische ondersteuning.

De meeste landbouwbedrijven vallen onder de definitie van een midden- en kleinbedrijf (tot 250 werknemers, 50 miljoen euro jaaromzet of minder dan 43 miljoen euro jaarlijkse balanstotaal). De afschaffing van de voorafgaande aanmeldingsplicht houdt een verlichting van administratieve lasten in. Tegelijkertijd voorziet de verordening in strenge eisen voor rapportage. Uiterlijk tien dagen voor de inwerkingtreding van een steunmaatregel dient een decentrale overheid de informatie over deze steun ter bekendmaking in het Publicatieblad van de EU aan de Commissie te sturen. Daarnaast stelt de lidstaat eens per jaar een verslag op. Een dossier over de verstrekte steun dient gedurende tien jaar te worden bewaard. Voor informatie- en rapportageverplichtingen zie Procedures.
13-02-2007
Staatssteun titel landbouw de minimis 2
De minimis-vrijstelling in de landbouwsector
29-01-2010
Staatssteun landbouw de-minimis
Decentrale overheden kunnen ook de-minimissteun aan landbouwbedrijven voor de primaire productie verlenen. Een landbouwbedrijf (een primaire producent van landbouwproducten in de zin van Bijlage I EG-Verdrag) mag tot 7.500 euro steun binnen een periode van drie belastingjaren ontvangen, zonder dat de overheid deze steun aan de Europese Commissie moet melden. Het totaalbedrag van de-minimissteun dat in Nederland door alle overheden over een periode van drie belastingjaren aan de ondernemingen van de landbouwproductiesector wordt toegekend, mag niet hoger zijn dan 165.322.500 euro. Zie de tekst van de de-minimisverordening nr. 1535/2007 voor de landbouwproductiesector.

Let wel: de verwerking en afzet van landbouwproducten valt sinds 2007 onder de 'gewonde' de-minimisvrijstelling nr. 1998/2006. De de-minimisverordening voor de sectoren landbouw en visserij nr. 1860/2004 wordt hiermee ingetrokken.

De Europese Commissie heeft een aanpassing van de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun voorgesteld, om steun aan landbouwondernemingen die zijn getroffen door de economische en financiële crisis toe te staan. Met deze voorgestelde wijziging zou aan land- of tuinbouwondernemingen een subsidie tot maximaal 15.000 euro kunnen worden verleend. Momenteel is de landbouwsector nog uitgesloten van tijdelijke steun in het kader van de crisis. Lees hierover meer in dit nieuwsbericht.
07-03-2011
Tijdellijk crisissteunkader landbouw
Tijdelijke crisissteun landbouw

De Europese Commissie heeft eind 2009 een aanpassing van de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun gewijzigd om steun aan primaire landbouwondernemingen die zijn getroffen door de financiële crisis toe te staan. Op basis van deze wijziging kon door decentrale overheden aan land- en tuinbouwondernemingen een subsidie tot maximaal 15.000 euro worden verleend. Het maximale steunbedrag kan volgens het voorstel ook worden verleend in de vorm van een garantie. Indien een landbouwonderneming reeds de de-minimissteun heeft ontvangen, moet die op bovengenoemd bedrag in mindering worden gebracht. Voor primaire landbouwproducenten geldt buiten deze crisisregeling een maximale de-minimissteun van 7.500 euro binnen een periode van drie belastingjaren, zonder dat de overheid deze steun aan de Europese Commissie moet melden.
Eind februari 2011 heeft de Europese Commissie een verlenging van de Nederlandse tijdelijke subsidieregeling voor landbouwers goedgekeurd. Aanvragers mogen maximaal 15.000 euro toegekend krijgen. Landbouwers kunnen tot 31 maart 2011 een beroep doen op steun onder de regeling. De Nederlandse overheid moet de steun nog in 2011 uitkeren.
17-02-2009
Staatssteun landbouw richtsnoeren
Richtsnoeren landbouw
Voor de landbouwsector gelden eigen specifieke Richtsnoeren. Deze zijn sinds 1 januari 2007 van kracht. Deze richtsnoeren gelden voor alle staatssteun die wordt verleend voor activiteiten op het gebied van de productie, verwerking en afzet van onder bijlage I bij het Verdrag vallende landbouwproducten. Decentrale overheden dienen hun steunmaatregelen voor de uitvoering ervan aan te melden bij de Europese Commissie. De aanmelding van landbouwsteun door een decentrale overheid verloopt via het Coördinatiepunt Staatssteun van het ministerie van BZK. Ook een melding in het kader van ILG verloopt via het Coördinatiepunt Staatssteun. Voor een beschrijving van de meldingsprocedures zie Procedures. De Commissie past deze richtsnoeren toe bij haar afweging om een voorgenomen steunmaatregel al dan niet goed te keuren.

De richtsnoeren bevatten regels voor steunmaatregelen op het gebied van:
- plattelandsontwikkeling (o.a. steun voor investeringen in landbouwbedrijven, steun met betrekking tot het milieu en het dierenwelzijn, steun voor de vestiging van jonge landbouwers, steun voor ruilverkavelingen, technische ondersteuning in de landbouwsector);
- risico- en crisisbeheer (o.a. steun ter vergoeding van schade aan de landbouwproductie, steun ter compensatie van landbouwers voor verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden);
- andere soorten steun (o.a. werkgelegenheidssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling, steun voor reclame voor landbouwproducten);
- bossector (waaronder bosbouw en natuurbeheer in bossen).

Tot de nieuwe categorieën van steun die werden opgenomen in deze richtsnoeren, behoort steun die is gericht op de naleving van normen, 'Natura 2000'-steun en steun die betrekking heeft op de betalingen waarin voorzien is bij Richtlijn 2000/60/EG (waterbeleid), steun die te maken heeft met belastingvrijstellingen zoals bedoeld in Richtlijn 2003/96/EG (belasting van energieproducten en elektriciteit) en steun aan de bosbouwsector.
07-03-2011
Staatssteun landbouw Praktijk
Praktijk
Beschikking Boeren voor Natuur (N 58/2005)
In juli 2006 heeft de Europese Commissie staatssteun goedgekeurd aan het pilotproject 'Boeren voor Natuur'. Op twee plaatsen in Nederland gaan boerenbedrijven landbouw en natuur- en landschapsmaatregelen combineren. Het project wordt gefinancierd met steun van het Rijk, Provincies Overijssel en Zuid-Holland, de gemeenten Delft, Hof van Twente en Pijnacker-Nootdorp, het stadsgewest Haaglanden, het Hoogheemraadschap van Delfland en het waterschap Regge en Dinkel landbouw.

'Boeren voor Natuur' wijkt sterk af van de nu gangbare agrarische bedrijfsvoering door een milieuvriendelijker en duurzamer manier van boeren. De bedrijfsvoering is gesloten, dat wil zeggen dat op het bedrijf geen (kracht)voer en meststoffen van buiten het bedrijf worden aangevoerd en dat geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De bedrijven maken op hun grond landschapselementen, zoals hagen en houtwallen. Alles bij elkaar is dit een nieuwe vorm van bedrijfsvoering: natuur, landschap en agrarische productie worden in verband met elkaar ontwikkeld op het gehele bedrijf.

De steunmaatregel betreft twee submaatregelen:
- extensief en milieuvriendelijk boeren en
- verandering van landbouwgrond in natuurterrein.

Wat de eerste submaatregel betreft, is er volgens de Commissie sprake van staatssteun die verenigbaar kan worden verklaard met het EG-Verdrag. De Commissie heeft deze maatregel beoordeeld in het licht van de (oude) Communautaire richtsnoeren voor staatssteun aan de landbouwsector (punt 5.3.1) en de principes van hoofdstuk VI van verordening Nr. 1257/1999 (de plattelandsontwikkelingsverordening). Ten aanzien van de tweede submaatregel concludeert de Commissie dat er geen sprake is van staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onder meer omdat de betrokken landbouwer elke mogelijkheid verliest om een economische activiteit op een deel van zijn land uit te oefenen.

Meer praktijkvoorbeelden zijn opgenomen onder Groenblauwe diensten.

Boerderijeducatie
Decentrale overheden kunnen tot 200.000 euro steun verlenen voor de financiering van boerderijeducatie zonder dat dit bij de Europese Commissie moet worden gemeld. Boerderijeducatie wordt doorgaans niet gezien als onderdeel van het productieproces van landbouwproducten en kan daardoor profiteren van een aanzienlijk hoger steunplafond onder de de-minimisvrijstelling. Dat blijkt uit een onderzoek dat de taskforce Multifunctionele Landbouw in november 2009 heeft laten uitvoeren. 


De directe aanleiding voor het onderzoek, uitgevoerd door Paul Terwan onderzoek & advies, was een amendement van Provinciale Staten van Noord-Holland uit 2008 waarbij geld was uitgetrokken voor boerderijeducatie op basisscholen. Onderzocht is op welke manier overheden boerderijeducatie kunnen financieren zonder staatssteunregels te overtreden. De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in de handreiking ‘Financiering van boerderijeducatie uit publieke middelen. Mogelijkheden voor decentrale overheden’.Volgens de handreiking groeit het besef dat het zinvol is dat kinderen leren waar hun voedsel vandaan komt, wat een verantwoorde omgang met dieren is en hoe voedselproductie zich verhoudt tot de natuurlijke omgeving waarin die plaatsvindt. Scholen hebben vaak geen budget over voor boerderijeducatie, maar er zijn gemeenten en provincies die de boerderijeducatie willen financieren.

Bij deze overheidsfinanciering moet rekening worden gehouden met onder andere de Europese regelgeving over staatssteun en aanbesteding. Voor overheidsbetalingen aan agrariërs gelden strikte eisen. Uit het onderzoek blijkt dat betalingen voor boerderijeducatie niet vallen onder de regels van landbouwsteun. De financiering kan daarom het makkelijkst vallen onder de de-minimisvrijstellig. Dat betekent dat maximaal 200.000 euro steun over een periode van drie belastingjaren mag worden verleend.