Praktijk
Beschikking Boeren voor Natuur (N 58/2005)
In juli 2006 heeft de Europese Commissie staatssteun goedgekeurd aan het pilotproject 'Boeren voor Natuur'. Op twee plaatsen in Nederland gaan boerenbedrijven landbouw en natuur- en landschapsmaatregelen combineren. Het project wordt gefinancierd met steun van het Rijk, Provincies Overijssel en Zuid-Holland, de gemeenten Delft, Hof van Twente en Pijnacker-Nootdorp, het stadsgewest Haaglanden, het Hoogheemraadschap van Delfland en het waterschap Regge en Dinkel landbouw.
'Boeren voor Natuur' wijkt sterk af van de nu gangbare agrarische bedrijfsvoering door een milieuvriendelijker en duurzamer manier van boeren. De bedrijfsvoering is gesloten, dat wil zeggen dat op het bedrijf geen (kracht)voer en meststoffen van buiten het bedrijf worden aangevoerd en dat geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De bedrijven maken op hun grond landschapselementen, zoals hagen en houtwallen. Alles bij elkaar is dit een nieuwe vorm van bedrijfsvoering: natuur, landschap en agrarische productie worden in verband met elkaar ontwikkeld op het gehele bedrijf.
De steunmaatregel betreft twee submaatregelen:
- extensief en milieuvriendelijk boeren en
- verandering van landbouwgrond in natuurterrein.
Wat de eerste submaatregel betreft, is er volgens de Commissie sprake van staatssteun die verenigbaar kan worden verklaard met het EG-Verdrag. De Commissie heeft deze maatregel beoordeeld in het licht van de (oude) Communautaire richtsnoeren voor staatssteun aan de landbouwsector (punt 5.3.1) en de principes van hoofdstuk VI van verordening Nr. 1257/1999 (de plattelandsontwikkelingsverordening). Ten aanzien van de tweede submaatregel concludeert de Commissie dat er geen sprake is van staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onder meer omdat de betrokken landbouwer elke mogelijkheid verliest om een economische activiteit op een deel van zijn land uit te oefenen.
Meer praktijkvoorbeelden zijn opgenomen onder
Groenblauwe diensten.
Boerderijeducatie
Decentrale overheden kunnen tot 200.000 euro steun verlenen voor de financiering van boerderijeducatie zonder dat dit bij de Europese Commissie moet worden gemeld. Boerderijeducatie wordt doorgaans niet gezien als onderdeel van het productieproces van landbouwproducten en kan daardoor profiteren van een aanzienlijk hoger steunplafond onder de de-minimisvrijstelling. Dat blijkt uit een onderzoek dat de taskforce Multifunctionele Landbouw in november 2009 heeft laten uitvoeren.
De directe aanleiding voor het onderzoek, uitgevoerd door Paul Terwan onderzoek & advies, was een amendement van Provinciale Staten van Noord-Holland uit 2008 waarbij geld was uitgetrokken voor boerderijeducatie op basisscholen. Onderzocht is op welke manier overheden boerderijeducatie kunnen financieren zonder staatssteunregels te overtreden. De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in de handreiking ‘Financiering van boerderijeducatie uit publieke middelen. Mogelijkheden voor decentrale overheden’.Volgens de handreiking groeit het besef dat het zinvol is dat kinderen leren waar hun voedsel vandaan komt, wat een verantwoorde omgang met dieren is en hoe voedselproductie zich verhoudt tot de natuurlijke omgeving waarin die plaatsvindt. Scholen hebben vaak geen budget over voor boerderijeducatie, maar er zijn gemeenten en provincies die de boerderijeducatie willen financieren.
Bij deze overheidsfinanciering moet rekening worden gehouden met onder andere de Europese regelgeving over staatssteun en aanbesteding. Voor overheidsbetalingen aan agrariërs gelden strikte eisen. Uit het onderzoek blijkt dat betalingen voor boerderijeducatie niet vallen onder de regels van landbouwsteun. De financiering kan daarom het makkelijkst vallen onder de de-minimisvrijstellig. Dat betekent dat maximaal 200.000 euro steun over een periode van drie belastingjaren mag worden verleend.