De relatie tussen staatssteunregels en (woning)bouwprojecten door corporaties kunnen (de)centrale overheden via verschillende wegen raken. Zo kan staatssteun ten goede komen aan Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Lidstaten beslissen in principe zelf of en hoe zij het verrichten van diensten van algemeen economisch belang definiëren en financieren. Woningcorporaties voorzien in de bouw van sociale woningen en zij kunnen daarmee sociaal achtergestelde huishoudens helpen. De Nederlandse overheid beschouwt dit als dienst van algemeen economisch belang en financiert de corporaties ook in dat verband met behulp van staatssteun. Nederlandse woningcorporaties ontvangen jaarlijks 300 tot 400 miljoen euro aan subsidies uit onder meer het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting en via het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Soms verleent de overheid hierbij ook garanties aan woningcorporaties die tegen gunstige voorwaarden geld kunnen lenen. Dit levert de woningcorporaties rentevoordeel op, wat in bepaalde gevallen als staatssteun kan worden beschouwd.
In 2005 heeft de Europese Commissie Nederland verzocht ervoor te zorgen dat de activiteiten van woningcorporaties, die van staatssteun profiteren, een rechtstreekse relatie met sociaal achtergestelde huishoudens hebben. Daarnaast moet Nederland ervoor zorgen dat de sociale en commerciële activiteiten van corporaties gescheiden worden uitgeoefend, waardoor kruissubsidiëring van met de markt concurrerende activiteiten van corporaties wordt voorkomen. De discussie over de toekomst van woningcorporaties en de vraag welke activiteiten van corporaties wel van staatssteun mogen profiteren, raakt ook gemeenten. Zij vragen zich vaak af welke afspraken met woningcorporaties Europeesrechtelijk geoorloofd zijn.
Op 19 december 2009 heeft de Europese Commissie middels een
besluit, en aangepast bij
besluit E2/2005 van 30 augustus 2010, de bouw en het verhuur van sociale woningbouw en maatschappelijk vastgoed als Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB),
ex artikel 106 lid 2 VWEU goedgekeurd. Op basis van de Woningwet verrichten woningbouwcorporaties openbare dienstverplichtingen die het algemeen belang dienen, wanneer zij voorzien in sociale woningbouw en maatschappelijk vastgoed. In de beschikking heeft de Europese Commissie een bijlage opgenomen waarin een limitatieve lijst wordt weergeven van elementen die als maatschappelijk vastgoed bestempeld kunnen worden. Het besluit maakt een onderscheid tussen reeds bestaande steun en nieuw aangemelde steun. Het besluit is omgezet in
de Tijdelijke regeling DAEB toegelaten instellingen volkshuisvesting die sinds 1 janauri 2011 van kracht is. In
deze update van de regeling wordt nader ingegaan op een aantal vragen.
Bestaande steun
Bestaande steun, in de vorm van de overheidsachtervang (rijk, gemeenten) bij de borging van leningen door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) is toegestaan ten aanzien van sociale woningbouw maatschappelijk vastgoed. De bouw van maatschappelijk vastgoed dient middels de (Europese) aanbestedingsregels te verlopen. Ten aanzien van deze aanbestedingsvoorwaarde kan worden opgemerkt dat corporaties de keuze houden tussen openbare en onderhandse aanbesteding. Wel dienen ze bij onderhandse aanbesteding meerdere offertes te vragen. Bij maatschappelijk vastgoed dat normaliter Europees aanbesteed zou moeten worden (zoals schoolgebouwen, wijkgebouwen en dergelijke waar de Europese aanbestedingsgrens van 5 miljoen euro wordt overschreden), zal sprake zijn van een verplichting van Europese aanbesteding conform de Europese richtlijnen.
Nieuw aangemelde steun
Het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) biedt mogelijkheden voor nieuwe steun ten opzichte van de bouw en verhuur van sociale woningbouw en maatschappelijk vastgoed. De CFV-sanerings- en projectsteun en de bijzondere projectsteun voor de wijkaanpak is goedgekeurd door de Europese Commissie op basis van artikel 106 lid 2 VwEU. Binnen de grenzen die de Woningwet en ministeriele verordeningen (zoals de Regeling besteding subsidies wijkenaanpak) mogen woningbouwcorporaties gecompenseerd worden voor het verrichten van openbare dienstverplichtingen (bouw en verhuur van maatschappelijk vastgoed en sociale huurwoningen). Deze vorm van steun wordt gegeven door middel van een rechtstreekse subsidie. Het moet hier gaan om de compensatie van het onrendabele verschil tussen de huuropbrengsten en de geraamde kosten van de investeringskosten (
besluit Europese Commissie inzake steunmaatregelen E 2/2005 en N642/2009, 15-12-2009, kadernummer 101, p 21).
Een andere steunvorm is de verkoop van grond aan woningcorporaties door gemeenten tegen lagere grondprijzen. Doorgaans leveren lagere grondtransacties staatssteun. Bij het verlenen van subsidie onder de CFV moet volgens de Europese Commissie gekeken worden of de lagere grondkosten die betaald worden bij het verrichten van een DAEB-taak, niet leiden tot dubbele compensatie. Daarom dient het economische voordeel van lagere grondprijzen verdisconteerd te worden met de compensatie onder de CFV om zo overcompensatie te voorkomen (zie kantnummer 101 van het besluit). Het besluit biedt aan de hand van deze voorwaarden, mogelijkheden voor gemeenten om lagere grondprijzen te berekenen aan woningbouwcorporaties.
Er moet verder aan alle voorwaarden van de DAEB-vrijstellingsbeschikking (zie met name artikel 4 en 5) voldaan worden. Aanbesteding wordt voor deze steun niet verplicht gesteld, omdat de DAEB-vrijstellingsbeschikking deze voorwaarde niet stelt. Om overcompensatie te voorkomen moeten woningcorporaties een gescheiden boekhouding hanteren ten opzichte van activiteiten die (deels) met steun verricht worden en activiteiten die zonder steun verricht worden.
Inkomensgrens
Woningbouwcorporaties die in aanmerking willen komen voor steun, moeten van de Europese Commissie hun vrijgekomen sociale woningen vanaf 1 oktober 2010 toewijzen aan huishoudens met een inkomen tot 33.000 euro (ruim 40% van de Nederlandse huishoudens). In eerste instantie wilde de Europese Commissie de staatssteun aan woningcorporaties alleen toestaan wanneer 90 procent van de jaarlijks vrijkomende woningen wordt toegewezen aan huishoudens met een belastbaar inkomen tot 28.475 euro, het niveau van de huurtoeslag. Volgens de Europese Commissie zou een hogere grens het evenwicht op de Nederlandse woningmarkt verstoren. Deze voorgestelde grens zou tot gevolg hebben dat de lagere middeninkomens buiten de doelgroep van woningcorporaties vallen. Nu is overeengekomen dat de grens bij 33.000 euro blijft liggen, waardoor ook deze lagere middeninkomens aanspraak kunnen blijven maken op een sociale huurwoning.
Nederland is met de Europese Commissie overeengekomen dat een groter deel van de sociale huurwoningen moet worden aangeboden aan huishoudens met een inkomen tot 33.000 euro. Geschat wordt dat dit percentage momenteel 80 tot 85 is. Voormalig minister Van der Laan heeft gepleit dit deel terug te brengen naar 80 procent, maar hier heeft de Europese Commissie niet mee ingestemd. Woningcorporaties dienen tenminste 90 procent van de jaarlijks vrijkomende woningen aan huishoudens met het vastgestelde maximum inkomen van 33.000 euro aan te bieden. Deze grens kan wel regionaal worden gedifferentieerd.