|
Alleenrecht
HvJ EU 3 juni 2010, zaak
203/08, Betfair
In deze zaak ging het om de
exploitatie van kansspelen via internet. Er was sprake van een nationale regeling
waarbij een vergunning slechts aan 1 marktdeelnemer wordt verleend. Uit de
uitspraak blijkt dat de beginselen van transparantie en non-discriminatie/
gelijke behandeling ook bij alleenrecht-verlening in acht moeten worden
genomen. In geval een exclusief recht wordt verleend aan een aanbestedende
dienst met gebruik van privékapitaal lijkt moeilijk te kunnen worden voldaan
aan het non-discriminatiebeginsel zonder een transparante procedure waardoor
gelijke behandeling wordt gegarandeerd (zie ook overwegingen 47, 50, 59 en 60
Betfair). Een uitsluitend recht, dat per definitie de vrijheid van dienstverrichting
van andere entiteiten beperkt, is alleen onder bepaalde voorwaarden
gerechtvaardigd (zie onder meer overwegingen 23-25 Betfair, maar ook
overwegingen 29-31 van zaak C-124/97,
21 september 1999, Läärä
en overwegingen 52-55 van zaak C-42/07,
8 september 2009, Liga Portuguesa).
Voorzieningenrechter Den Haag, 25 augustus 2009, KG-ZA 09-797, LJNnr. BJ5981, AVR-gemeente Westland-HVC alsmede Gerechtshof Den Haag, 15 december 2009, LJNnr. BK6928 alsmede Hoge Raad, 18 november 2011, LJNnr. BU4900
In deze zaak gaat het om de verlening van een uitsluitend recht voor de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval.
Zevende kamer Hof van Justitie EG, 10 april 2008, zaak C-323/07 (PB C171 van 5 juli 2008 pag. 11), Termoraggi
In deze zaak (tekst beschikking alleen in Frans beschikbaar) verzoekt het Italiaanse administratieve gerecht om een prejudiciele beslissing van het Hof over de uitleg van het alleenrechtartikel (artikel 6 oude aanbestedingsrichtlijn Diensten, huidige richtlijn 2004/18/EG artikel 18) en de toepasselijkheid daarvan bij nationale bepalingen waarbij het beheer van verwarmingsinstallaties van bepaalde gemeentelijke gebouwen aan een gemeentebedrijf worden gegund buiten door de aanbestedingsrichtlijn vastgestelde aanbestedingsprocedures om.
Hof van Justitie EG, 18 december 2007, zaak C-220/06, Correos postdiensten
Het Spaanse Ministerie van OC&W en Correos openbare maatschappij voor post en telegrafie, een staatsbedrijf met uitsluitend openbaar kapitaal) hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor de verrichting van post en telegraafdiensten zonder een openbare aanbestedingsprocedure te volgen. Na een bezwaar van de Spaanse beroepsfederatie van postbedrijven stelt de Spaanse rechter de prejudiciele vraag aan het Hof of de artikelen 43, 49 en 86 van het EG-Verdrag bij toepassing van de postmarkt-liberalisatie en aanbestedingsrichtlijnen zich tegen de gesloten overeenkomst verzetten. Aan de voorwaarde dat de verlening van een uitsluitend recht verenigbaar moet zijn met het Verdrag wordt niet voldaan indien de maatregel waarbij het recht wordt verleend onverenigbaar is met secundaire EU-wetgeving (zie ook overwegingen 64-66).
HvJ EG 6 november 2003 , zaak
C-243/01, Gambelli
Een uitsluitend recht moet gerechtvaardigd zijn door
een uitdrukkelijk in het Verdrag genoemde uitzondering of door dwingende
redenen van algemeen belang (in overeenstemming met de rechtspraak van het
Hof), welke redenen geschikt moeten zijn om de verwezenlijking van het
nagestreefde doel te waarborgen, niet verder te gaan dan wat ter bereiking van
dat doel noodzakelijk is en in elk geval zonder discriminatie worden toegepast
(overweging 65 Gambelli).
Hof Arnhem 15 februari 2000, rolnr. KG 95/403, gemeenten Arnhem en Rheden tegen BFI Holding, Arnhem/Rheden/ BFI Holding B.V. (LJN AA 4837)
In dit geding was de vraag aan de orde of ARA als een aanbestedende dienst in de zin van de aanbestedingsrichtlijn diende te worden aangemerkt, zodat de gemeenten met recht een beroep konden doen op de uitzondering van het alleenrecht. Daarbij was met name aan de orde of ARA in de woorden van de richtlijn ‘is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard'. De vraag werd aan de orde gesteld of het bij de onderhavige ophaaldienst van huishoudelijk afval al dan niet ging om een behoefte van algemeen belang anders dan die van industriële of commerciële aard.
HvJ EG, 8 juli 1999, zaak
T-266/97, Vlaamse Televisie Maatschappij
Beslissingen om ondernemingen uitsluitende rechten te
verlenen kunnen een inbreuk op het Verdrag vormen indien aan de vereisten kan
worden voldaan op een alternatieve manier die minder nadelige effecten heeft op
de mededinging.
Zie ook noot 62 van het werkdocument
van de Commissie uit november 2011 inzake de toepassing van het EU
aanbestedingsrecht op publiek publieke samenwerking.
HvJ EG 10 november 1998, zaak C-360/96, BFI Holding
In deze zaak overwoog het Hof het volgende.
In de definitie van publiekrechtelijke instelling wordt alleen gesproken van de behoefte waarin de instelling moet voorzien. Daarin wordt geheel buiten beschouwing gelaten of in deze behoeften al dan niet ook door particuliere ondernemingen kan worden voorzien.
Rb. Arnhem 18 mei 1995, rolnr. KT 1994/1901, BFI Holding BV tegen de Gemeente Arnhem, Gemeente Rheden en ARA Holding N.V. (Vindplaats BR 1995, 693, hoger beroep Hof Arnhem, 25 juni 1996, BR 1996,753)
In deze zaak ging het om de verlening van een opdracht door een aantal gemeenten aan een door hen verzelfstandigd, niet geprivatiseerd vuilnisophaalbedrijf voor de inzameling van huishoudelijk afval. Volgens de rechtbank Arnhem kon de aanwijzing van het vuilnisophaalbedrijf als inzameldienst in de gemeentelijke afvalstoffenverordeningen niet als verlening van een exclusief recht in de zin van artikel 6 richtlijn Diensten (NB zie huidige richtlijn 2004/18 art. 18).
HvJ EG 26 april 1994, zaak C-272/91, Commissie/Italië- Lottomatica
Het Hof stelde in deze zaak dat de richtlijnen op diverse onderdelen een uitputtende regeling bevatten.
In deze zaak werden criteria gesteld op grond waarvan categorieën aannemers werden voorgetrokken/achtergesteld. Het Hof stond deze niet toe. Het Hof bevestigde in deze zaak het
HvJ EG, 23 april 1991, zaak
C-41/90, Höfner
Beslissingen om ondernemingen uitsluitende rechten te
verlenen kunnen een inbreuk op het Verdrag vormen indien de dienstverlener –
ook mededingingsrechtelijk gezien- kennelijk niet in staat is om aan de vraag (in
deze zaak arbeidsbemiddelingsdiensten voor hoger en leidinggevend personeel) te
voldoen (overweging 25 en 34 ev.).
HvJ EG, 11 april 1989, zaak
C-66/86, Silver Line Reisebüro
Beslissingen
om ondernemingen uitsluitende rechten te verlenen kunnen een inbreuk op het
Verdrag vormen indien de door de dienstverlener na te leven voorschriften
inzake openbare dienstverlening niet duidelijk zijn omschreven (overweging 55
ev.).
|
|
|
|
|