Subsidiariteit
In artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) (artikel 5 EG-Verdrag oud) is ook het beginsel van subsidiariteit vastgelegd: ‘Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt (lid 3) ... Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken (lid 4) ...’.
Het subsidiariteitsbeginsel moet dus garanderen dat de Unie alleen optreedt als dat noodzakelijk is, en dat beslissingen zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen. Er dient voortdurend gecontroleerd te worden of actie op communautair niveau gerechtvaardigd is ten opzichte van de mogelijkheden op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Dit speelt alleen wanneer de Europese Unie en de lidstaten overlappende bevoegdheden hebben; bij een exclusieve bevoegdheid van ‘Europa’ is er altijd voldaan aan dit beginsel.
Lidstaat Nederland geeft in zijn reactie op een Europees beleids- of wetgevingsinitiatief aan of het Europese beleid wel meerwaarde heeft boven het nationale beleid. De Nederlandse regering wilde graag dat de nationale parlementen een sterkere positie krijgen met betrekking tot de subsidiariteitstoets. In het nieuwe Unieverdrag is hierover ook een expliciete bepaling opgenomen. (Zie voor meer informatie over het Verdrag van Lissabon onder '
Verdragen'.) Ook is aan het VEU een protocol (nr. 2) toegevoegd betreffende subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen van de EU-lidstaten kunnen met deze bepaling en het procotol toezien op de correcte naleving van het principe. In Nederland was er reeds een Tijdelijke Gemengde Commissie Subsidiariteitstoets (TGCS) van de Eerste en Tweede Kamer opgericht. Zie ook de website
Europapoort van de Eerste Kamer. In 2009 is deze TGCS voortgezet in de Tijdelijke Commissie Subsidiariteitstoets (TCS) bij de Tweede Kamer, zodat Eerste kamerleden hiervan geen deel meer uitmaken. De betrokken vakcommissies controleren of actie op communautair niveau gerechtvaardigd is ten opzichte van de mogelijkheden op nationaal, regionaal of lokaal niveau. De Eerste Kamer heeft besloten de toetsing te decentraliseren en geheel aan de verschillende vakcommissies over te laten. De Tweede Kamer ziet een taak in het coördineren van de vakcommissies om verschillen in aanpak te voorkomen. Zie ook het nieuwsbericht ‘
Tweede Kamer voor coördinatie toets subsidiariteit’
In het Verdrag van Lissabon hebben de parlementen van de lidstaten de mogelijkheid gekregen beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer zij van mening zijn dat een vastgestelde wetgevingshandeling van de Unie in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel. Deze beroepen bij het Hof lopen via de regering.
In een
brief van 26 mei 2010 aan de Eerste en Tweede Kamer heeft de regering aangegeven hoe het van haar kant zal om gaan met deze nieuwe bevoegdheid. Zie ook
deze website.
Het recht van de parlementen om beroep in te stellen is geregeld in artikel 8, eerste alinea van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (hierna: het Protocol). Het beroep wordt toegezonden aan het Hof door de lidstaat namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement.
De procesvertegenwoordiging van Nederland bij het Hof van Justitie wordt verzorgd door de regering (Buitenlandse Zaken). Het Parlement kan dus enkel haar beroep via de regering in Luxemburg aanbrengen.
De rol van de regering is, zo blijkt uit de brief, zeer beperkt. Het Parlement bepaalt zelf de inhoud van haar beroep. De regering zal wel een procureursrol vervullen (controleren van termijnen, handtekeningen enz). Het pleidooi ter zitting in Luxemburg wordt gehouden door een raadsman of advocaat van het Parlement, die de gemachtigde van de regering bijstaat.
Het Comité van de Regio’s is van mening dat lokale en regionale overheden een belangrijke taak hebben in het uitvoeren van Europese regels en dat er om deze reden rekening moet worden gehouden met hun mening, voorafgaand aan de inwerkingtreding van een voorstel. Het Comité is om deze reden gestart met een interactief netwerk voor toezicht op de naleving van het subsidiariteitsprincipe. Het Comité wil daarmee lokale en regionale overheden meer zeggenschap geven over nieuwe EU-wetgeving. Het is de bedoeling dat decentrale overheden in de toekomst via dit nieuwe ‘waarschuwingssysteem’ in staat zijn vroegtijdig in te schatten of een Europees wetsvoorstel beter op decentraal of nationaal niveau uitgevoerd kan worden. Via het online netwerk wordt het mogelijk om te reageren op Europese wetsvoorstellen die administratieve of financiële gevolgen op decentraal niveau kunnen hebben.
Zie:
Subsidiariteitsnetwerk van het Comité van de Regio’s.
Meer achtergrondinformatie over subsidiariteit is te lezen in het factsheet van Europa decentraal uit 2008:
Subsidiariteit en proportionaliteit.