HomeDossiersEuropees recht en beleid decentraalInleiding Europees rechtVerdragsbeginselen

Europees recht en beleid decentraal

Voorpagina Inleiding Europees recht Europabewust Organisaties Praktijk Info&Service
 

Verdragsbeginselen

20-10-2010
Verdragsbeginselen
Binnen het Europees recht speelt behalve de wet- en regelgeving ook een groot aantal beginselen een belangrijke rol. Decentrale overheden kunnen met een aantal van deze beginselen direct te maken krijgen; deze beginselen worden hier genoemd. De meeste van de hier beschreven beginselen zijn expliciet opgenomen de EU-Verdragen, maar voor bijvoorbeeld het transparantiebeginsel geldt dit niet. Zie voor meer informatie hierover ook de beleidsdossiers, zoals aanbestedingen.

Beginselen die hier niet genoemd worden zijn onder andere het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het verdedigingsbeginsel en de beginselen die ten grondslag liggen aan de vrij verkeer bepalingen uit het Verdrag. Zie voor eventuele nadere informatie hierover ook de beleidsdossiers.
20-10-2010
Gemeenschapstrouw
Unietrouw of het beginsel van loyaliteit
Artikel 4 VEU bevat het voormalige (artikel 10 EG-Verdrag betreffende) beginsel van gemeenschapstrouw. Dit beginsel hield in dat lidstaten de verplichtingen van het Gemeenschapsrecht moeten nakomen en geen maatregelen mogen nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag in gevaar kunnen brengen. Als Verdragsbepalingen duidelijk en onvoorwaardelijk zijn, en dus volgens het Hof van Justitie rechtstreekse werking hebben, geldt dit ook voor decentrale overheden.

Gemeenschapstrouw werkt ook de andere kant op. Het Hof heeft in het Zwartveld arrest (zaak C-2/88) bepaald dat ook de gemeenschapsinstellingen (in dit geval de Commissie) loyaal moeten samenwerken met de lidstaten.

Het Costanzo-arrest (zaak C-103/88) bepaalde dat het principe van gemeenschapstrouw tot gevolg heeft dat decentrale overheden zelf verantwoordelijkheid hebben voor het uitvoeren van onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige richtlijnbepalingen in geval deze niet tijdig, niet geheel of niet correct zijn omgezet in nationale wetgeving. In deze zaak ging het om de omzetting van een richtlijn in nationale (Italiaanse) wetgeving. De nationale wetgever had de richtlijn niet correct geïmplementeerd, waarmee een decentrale overheid werd geconfronteerd. Het Hof bepaalde dat in een dergelijk geval de decentrale overheid wordt geacht aan zijn verplichtingen te voldoen door de nationale wetgeving buiten beschouwing te laten en de bepalingen van de richtlijn te volgen.

In het Francovich en Bonifaci/Italie-arrest (C-6/90 en C-9/90) spreekt het Hof van Justitie EG zich uit over de aansprakelijkheid van lidaten wanneer zij in strijd handelen met hun verplichtingen op grond van het EG-recht. De grondslag voor deze aansprakelijkheid betreft het beginsel van de gemeenschapstrouw.

Artikel 4 lid 3 VEU stelt dat het beginsel van Unietrouw het volgende behelst:
'Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.
De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijen de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.'
20-10-2010
Attributie
Attributie
In artikel 5 van het VEU is het attributiebeginsel vastgelegd: 'De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van de bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
Dit beginsel houdt in dat ‘Europa’ alleen kan optreden als hiervoor een bevoegdheid is vastgelegd in de Verdragen. Lid 2 van artikel 5 VEU geeft aan dat krachtens het beginsel van bevogdheidstoedeling de Unie enkel handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld behoren toe aan de lidstaten.

Meestal wordt deze rechtsgrondslag expliciet genoemd in de overwegingen bij een maatregel, voorheen met de tekst ‘Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name artikel (…) EG’ en nu met een tekst verwijzend naar de EU-Verdragen. Het is uiteindelijk aan het Europese Hof om te toetsen of de Europese Unie een juiste rechtsgrondslag heeft gekozen, gezien het doel en de inhoud van de maatregel.

De bevoegdheid om maatregelen te nemen is echter beperkt door het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel (lid 3 en 4 artikel 5 VEU).
01-11-2010
Subsidiariteit
Subsidiariteit
In artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) (artikel 5 EG-Verdrag oud) is ook het beginsel van subsidiariteit vastgelegd: ‘Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt (lid 3) ... Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken (lid 4) ...’.

Het subsidiariteitsbeginsel moet dus garanderen dat de Unie alleen optreedt als dat noodzakelijk is, en dat beslissingen zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen. Er dient voortdurend gecontroleerd te worden of actie op communautair niveau gerechtvaardigd is ten opzichte van de mogelijkheden op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Dit speelt alleen wanneer de Europese Unie en de lidstaten overlappende bevoegdheden hebben; bij een exclusieve bevoegdheid van ‘Europa’ is er altijd voldaan aan dit beginsel.

Lidstaat Nederland geeft in zijn reactie op een Europees beleids- of wetgevingsinitiatief aan of het Europese beleid wel meerwaarde heeft boven het nationale beleid. De Nederlandse regering wilde graag dat de nationale parlementen een sterkere positie krijgen met betrekking tot de subsidiariteitstoets. In het nieuwe Unieverdrag is hierover ook een expliciete bepaling opgenomen. (Zie voor meer informatie over het Verdrag van Lissabon onder 'Verdragen'.) Ook is aan het VEU een protocol (nr. 2) toegevoegd betreffende subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen van de EU-lidstaten kunnen met deze bepaling en het procotol toezien op de correcte naleving van het principe. In Nederland was er reeds een Tijdelijke Gemengde Commissie Subsidiariteitstoets (TGCS) van de Eerste en Tweede Kamer opgericht. Zie ook de website Europapoort van de Eerste Kamer. In 2009 is deze TGCS voortgezet in de Tijdelijke Commissie Subsidiariteitstoets (TCS) bij de Tweede Kamer, zodat Eerste kamerleden hiervan geen deel meer uitmaken. De betrokken vakcommissies controleren of actie op communautair niveau gerechtvaardigd is ten opzichte van de mogelijkheden op nationaal, regionaal of lokaal niveau. De Eerste Kamer heeft besloten de toetsing te decentraliseren en geheel aan de verschillende vakcommissies over te laten. De Tweede Kamer ziet een taak in het coördineren van de vakcommissies om verschillen in aanpak te voorkomen. Zie ook het nieuwsbericht ‘Tweede Kamer voor coördinatie toets subsidiariteit

In het Verdrag van Lissabon hebben de parlementen van de lidstaten de mogelijkheid gekregen beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer zij van mening zijn dat een vastgestelde wetgevingshandeling van de Unie in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel. Deze beroepen bij het Hof lopen via de regering.
In een brief van 26 mei 2010 aan de Eerste en Tweede Kamer heeft de regering aangegeven hoe het van haar kant zal om gaan met deze nieuwe bevoegdheid. Zie ook deze website.

Het recht van de parlementen om beroep in te stellen is geregeld in artikel 8, eerste alinea van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (hierna: het Protocol). Het beroep wordt toegezonden aan het Hof door de lidstaat namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement.
De procesvertegenwoordiging van Nederland bij het Hof van Justitie wordt verzorgd door de regering (Buitenlandse Zaken). Het Parlement kan dus enkel haar beroep via de regering in Luxemburg aanbrengen.
De rol van de regering is, zo blijkt uit de brief, zeer beperkt. Het Parlement bepaalt zelf de inhoud van haar beroep. De regering zal wel een procureursrol vervullen (controleren van termijnen, handtekeningen enz). Het pleidooi ter zitting in Luxemburg wordt gehouden door een raadsman of advocaat van het Parlement, die de gemachtigde van de regering bijstaat.

Het Comité van de Regio’s is van mening dat lokale en regionale overheden een belangrijke taak hebben in het uitvoeren van Europese regels en dat er om deze reden rekening moet worden gehouden met hun mening, voorafgaand aan de inwerkingtreding van een voorstel. Het Comité is om deze reden gestart met een interactief netwerk voor toezicht op de naleving van het subsidiariteitsprincipe. Het Comité wil daarmee lokale en regionale overheden meer zeggenschap geven over nieuwe EU-wetgeving. Het is de bedoeling dat decentrale overheden in de toekomst via dit nieuwe ‘waarschuwingssysteem’ in staat zijn vroegtijdig in te schatten of een Europees wetsvoorstel beter op decentraal of nationaal niveau uitgevoerd kan worden. Via het online netwerk wordt het mogelijk om te reageren op Europese wetsvoorstellen die administratieve of financiële gevolgen op decentraal niveau kunnen hebben.
Zie: Subsidiariteitsnetwerk van het Comité van de Regio’s.

Meer achtergrondinformatie over subsidiariteit is te lezen in het factsheet van Europa decentraal uit 2008: Subsidiariteit en proportionaliteit.
20-10-2010
Evenredigheid
Evenredigheid
In artikel 5 van het VEU (artikel 5 EG-Verdrag oud) is in het vierde lid (zie hierboven) het evenredigheidsbeginsel opgenomen. Dit moet ervoor zorgen dat het optreden van de Unie niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstellingen van het Verdrag te bereiken. De toets aan dit beginsel richt zich daarom op de invulling die gegeven wordt aan de bevoegdheid en niet op de bevoegdheid op zich. Het evenredigheidsbeginsel speelt alleen een rol wanneer al voldaan is aan het attributie- en het subsidiariteitsbeginsel.

De Europese Unie is op grond van dit beginsel verplicht om het minst ingrijpende middel te kiezen. Wanneer het voor het bereiken van de doelstelling niet uitmaakt, zullen daarom richtlijnen verkozen moeten worden boven verordeningen.

Ten slotte zal ook gekeken moeten worden of de gekozen maatregel wel tot het doel kán leiden en ook of dat het doel misschien al bereikt wordt zonder de maatregel.
20-10-2010
Non-discriminatie
Non-discriminatie en gelijkheid
Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn uitspraken het gelijkheidsbeginsel erkend als één van de fundamentele rechten van de mens. Een voorbeeld hiervan is het ‘P/S’ arrest (zaak C-13/94, r.o. 17-21). Het gelijkheidsbeginsel was niet als zodanig opgenomen in het EG-Verdrag, maar lag er wel aan ten grondslag. De strekking van het beginsel is dat gelijke gevallen ook gelijk behandeld moeten worden.

Artikel 2 van het VEU stelt nu dat 'de waarden waarop de Unie berust zijn: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.
In artikel 8 van het VWEU is expliciet opgenomen dat de Unie ernaar streeft de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid te bevorderen. Zie voor meer informatie ook de website van de Europese Commissie over gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen.

Discriminatie naar nationaliteit is expliciet in het Verdrag uitgesloten. Artikel 18 VWEU verbiedt ‘elke discriminatie op grond van nationaliteit’. Dit betekent zowel dat er geen ongerechtvaardigd onderscheid tussen de verschillende lidstaten gemaakt mag worden, als dat er geen onderscheid tussen EU-burgers gemaakt mag worden puur op basis van hun nationaliteit. Artikel 10 VWEU geeft aan dat de Unie naar bestrijing van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid streeft. Zie voor meer informatie ook de website van de Europese Commissie over discriminatiebestrijding en het dossier vrij verkeer van Europa decentraal.

De koppeling van (zie artikel 6 van) het VEU met het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie en het EVRM (zie Verdragen) is ook van belang bij de interpretatie van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel.
20-10-2010
Transparantie
Transparantie
Het transparantiebeginsel speelt met name bij aanbestedingen een grote rol. Meer in het algemeen is transparantie in het beleidsvormingsproces van de EU ervoor bedoeld om burgers betrokken te maken en hen de kans te bieden op inspraak. Ook is transparantie noodzakelijk om decentrale overheden en maatschappelijke organisaties de gelegenheid te geven hun reactie op te stellen binnen de daarvoor bestemde (korte) termijn.

Meer informatie over de rol van het transparantiebeginsel bij aanbestedingen is te lezen in het dossier Aanbestedingen op deze website.