Het Europees recht is niet alleen een zaak van de nationale wetgever. Het is aan de nationale wetgever om richtlijnen correct om te zetten in nationale wetgeving. Maar EG-Verdrag artikel 10 (oud; ten gronde vervangen door artikel 4 lid 3 VEU) over gemeenschapstrouw (nu 'unietrouw") bepaalde al dat decentrale overheden zelf verantwoordelijk zijn indien de nationale wetgever verzuimt of niet tijdig of onjuist rechtstreeks werkende bepalingen van een Europese
heeft omgezet. Om rechtstreeks werkend te zijn, moet een bepaling voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn. Op het moment dat de nationale wetgever verzuimt, zijn de decentrale overheden zelf verantwoordelijk voor het correct toepassen van de rechtstreeks werkende bepalingen van de richtlijn. Burgers kunnen de (decentrale) overheden hier voor de rechter op aanspreken.
In alle gevallen is het zo dat decentrale overheden (zonder tussenkomst van de nationale wetgever) de bepalingen uit verordeningen moeten toepassen.
zijn rechtstreeks werkend en moeten direct worden toegepast, zonder omzetting in nationale wetgeving.
De rechtstreekse werking van Europees recht is al sedert de jaren 60 van vorige eeuw een terugkerend item in bijvoorbeeld rechtspraak van het Europese Hof van Justitie en wordt aan de hand van die uitspraken steeds verder ingekleed. Hieronder volgen er een aantal. Het vraagstuk van de rechtsstreekse werking en een overzicht van diverse jurisprudentie komt onder meer ook aan de orde op pag.245 ev. van de publicatie "Europees recht algemeen deel' Sinds het Verdrag van Lissabon, 3e geheel herziene druk, W.T. Eijsbouts, J.H. Jans, A. Prechal en L.A.J. Senden, Europa law publishing, Groningen 2010
Uit het arrest Van Gend en Loos (
26/62) bleek dat de communautaire rechtsorde een rechtstreekse bron van rechten en plichten vormt voor zowel lidstaten als burgers. In deze zaak ging het om de vraag of een bepaald Verdragsartikel zg. rechtstreekse werking, dus werking ook zonder tussenkomst van de lidstaat, had. Het Hof van Justitie bevestigde dit inderdaad, aangezien de tekst van het betreffende artikel ‘duidelijk’ en ‘onvoorwaardelijk’ was. In zulke gevallen kan een burger, wanneer het Hof heeft bepaald dat een Verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft, een beroep doen op deze bepaling voor de nationale rechter.
In het arrest Costa-Enel (
6/64) gaf het Hof aan dat het Gemeenschapsrecht autonoom van karakter is. Dit betekent dat EU-instellingen, EU-lidstaten en burgers zonder tussenkomst van nationaal of internationaal recht onderworpen zijn aan het Gemeenschapsrecht. Indien Verdragsbepalingen en nationale wetgeving in conflict zijn, dan heeft het Gemeenschapsrecht voorrang boven het nationale recht.
Een groot aantal Verdragsbepalingen hebben in de loop der jaren ook expliciet rechtstreekse werking toegeschreven gekregen, zoals bijvoorbeeld de artikelen over het vrije verkeer, vervoer en staatssteun.
Een verdere verduidelijking van het vraagstuk rechtstreekse werking werd gegeven door de uitspraak van het Hof in de zaak Les Verts (
216/83), waaruit blijkt dat de Gemeenschap een eigen rechtsorde is.
In 1995 speelde in Nederland de zaak Lubsen (Rb Utrecht, 25 oktober 1995, JB 1995, 305). Lidstaat Nederland had Richtlijn 79/7, over gelijke behandeling van mannen en vrouwen met betrekking tot sociale zekerheidszaken, niet correct geďmplementeerd. De gemeente Utrecht werd in deze zaak door de rechtbank mede aansprakelijk gesteld voor schade die uit deze incorrecte implementatie voortkwam. De gemeente had bestaande wetgeving gevolgd. Echter, deze was niet conform de Richtlijn. De rechtbank achtte zowel de staat als de gemeente aansprakelijk voor de schade die de eiser had geleden. De staat werd verantwoordelijk geacht voor niet-correcte implementatie en de gemeente voor uitvoering van nationale wetgeving die niet conform de Richtlijn was. Er werd hiermee gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van decentrale overheden. (zie Hessel en Mortelmans, 1997, p.124).
In 2006 gaf het Hof in het Adeneler arrest (zaak
C-212/04) aan dat de nationale rechter het EG-recht niet zo mag uitleggen dat het strijdig kan zijn met een richtlijn die al wel in werking is getreden, maar waarvan de omzettingstermijn nog niet is verlopen. Wanneer het gaat om een richtlijn die te laat is omgezet en die geen directe werking heeft, moet het EG-recht in het licht van de tekst en het doel van die richtlijn worden uitgelegd.
In de zaak Wells (zaak
C-201/02) ging het om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Het geding tussen Delena Wells en de Secretary of State betrof de verlening van een nieuwe vergunning voor mijnexploitatie van een steengroeve zonder voorafgaande milieueffectbeoordeling, zoals is voorgeschreven door Richtlijn 85/337. Het Hof moest oordelen over de mogelijkheid voor particulieren om zich te verzetten tegen het verzuim van de staat om een milieueffectbeoordeling op te leggen en de eventuele vergoeding van geleden schade door een particulier. Met de zaak Wells wordt aan decentrale overheden meer houvast geboden in situaties waarin EG-richtlijnen niet (correct) zijn omgezet in nationale wetgeving en de eventuele daaruit voortkomende schadeclaims door derden. In
dit artikel van mr. S. Belhaj en prof.dr. B. Hessel wordt nader gekeken naar de rol van decentrale overheden bij met EG-richtlijnen strijdige nationale wetgeving, waarin ook de uitkomsten van het arrest Wells verder worden uitgelegd.
Zie voor meer informatie over rechtstreekse werking van (met name milieu) richtlijnen ook hoofdstuk 5 Milieu uit de
Handreiking Europaproof Gemeenten (versie juni 2008) alsmede de
jurisprudentie hierover op de website. De ICER heeft in het
rapport over ‘Toepassing EG-richtlijnen door decentrale overheden’ een vergelijkbaar stroomschema als in de Handreiking Europaproof Gemeenten opgenomen over de doorwerking van richtlijnen.
Zie voor meer informatie over de rechtstreekse werking van EG-recht tenslotte ook het factsheet van Europa decentraal.