Aansprakelijkheid aangekaart door particulieren en ondernemingen
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is duidelijk gebleken dat zowel de centrale als de decentrale overheden (de lidstaten zelf) verplichtingen hebben en aansprakelijk zijn ten aanzien van het Europese recht. Burgers en ondernemingen kunnen, onder bepaalde voorwaarden, via het nationale recht decentrale en centrale overheden aansprakelijk stellen voor schade als gevolg van inbreuk op het Unierecht. De naloeving van Europeesrechtelijke verplichtingen door communautaire instellingen zelf is geregeld in artikel 340 VWEU (systeem van schuldaansprakelijkheid); de aansprakelijkheid van lidstaten volgt vooral uit de jurisprudentie.
In het arrest Francovich (zaken
C-6/90 en C-9/90) heeft het Hof zich uitgesproken over aansprakelijkheid als lidstaten richtlijnen niet tijdig omzetten in nationale wetgeving. In zulke gevallen kan de lidstaat bij de nationale rechter onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk worden gesteld door particulieren voor schade die zij hiervan ondervinden. In het geval van het Francovich-arrest verzuimde de nationale wetgever een richtlijn tijdig om te zetten in nationaal recht. Indien de omzettingsfout bij de decentrale overheid ligt, bepaalt het nationale recht hoe de aansprakelijkheid is geregeld. De Gemeenschap bepaalt niet hoe de interne verhoudingen binnen de lidstaten georganiseerd moeten zijn.
In het arrest Konle (zaak
C-302/97) werd de aansprakelijkheid van decentrale overheden nog eens duidelijk belicht. In deze zaak ging het om Oostenrijk, een land met een federale structuur. In Oostenrijk waren vergunningsvereisten gesteld aan de aankoop van grond. Er moest aangetoond worden dat de aankoop niet zou dienen voor de verkrijging van een tweede huis. Enkel Oostenrijkers waren van deze vergunningsverplichting vrijgesteld. Ter discussie stond de vraag of deze vergunningsvereisten in strijd waren met de Verdragsbepalingen over de vrijheid van vestiging van EU-onderdanen. Het Hof zei: ‘lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de schade wordt vergoed die aan particulieren wordt toegebracht door een schending van het gemeenschapsrecht, ongeacht welk overheidsorgaan dit recht heeft geschonden en welk overheidsorgaan in beginsel volgens het recht van de betrokken lidstaat deze schade dient te vergoeden’. Een lidstaat kan zich dus niet beroepen op de verdeling van bevoegdheid en aansprakelijkheid in zijn nationale rechtsorde om zelf aansprakelijkheid te voorkomen.
Het arrest Gervais Larsy (zaak
C-118/00) bepaalde dat het beginsel van de aansprakelijkheid van de lidstaat, dat inherent is aan het systeem van het Verdrag, niet alleen voor de centrale overheid geldt maar in beginsel van toepassing is op elk overheidsorgaan. Ook als een schending van het gemeenschapsrecht aan nationale rechterlijke instanties kan worden toegerekend (denk aan de verwijzingsplicht ingevolge artikel 267 VWEU) kan volgens het Hof in zaak Köbler (zaak
C-224/01) een lidstaat aansprakelijk zijn voor schade die particulieren als gevolg hiervan lijden. Het arrest Brasserie du Pecheur (zaak
C-46/93 en C-48/93) geeft aan dat particulieren recht kunnen hebben op schadevergoeding in het geval van scheniding van het unierecht door een lidstaat (die is toe te rekenen aan de nationale wetgever die optreedt in een materie waarin hij bij het maken van normatieve keuzes over een ruime beoordelingsmarge beschikt) wanneer het onder meer gaat om een 'voldoende gekwalificeerde schending' van het unierecht. Het arrest Dillenkofer (zaak C-178&179, 188-190/94) geeft duidelijker aan wanneer er sprake is van een dergelijke schending. Belangrijk is in hoeverre een lidstaat heeft kunnen aannemen dat een bepaalde maatregel wel of niet in strijd met het Unierecht zou zijn.
Naar aanleiding van deze jurisprudentie van het Hof zijn er de volgende voorwaarden voor aansprakelijkheid van een (decentrale) overheid te onderkennen:
1. de geschonden regel strekt ertoe rechten aan particulieren toe te kennen;
2. de schending kan aan de lidstaat worden toegerekend en betreft een voldoende gekwalificeerde schending;
3. er is een direct causaal verband tussen de schending en de schade.
(Bron: F. Ambtenbrink en H.H.B. Vedder, ‘Recht van de Europese Unie’, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2006, p. 263.)
Meer informatie over overheidsaansprakelijkheid is ook te vinden in Europees recht - Algemeen Deel Sinds het Verdrag van Lissabon, W.T Eijsbouts, J.H. Jans, L.A.J. Senden en A. Prechal, Europa Law Publishing, Groningen 210