HomeDossiersEuropees recht en beleid decentraalEuropabewustToezicht en naleving

Europees recht en beleid decentraal

Voorpagina Inleiding Europees recht Europabewust Organisaties Praktijk Info&Service
 

Toezicht en naleving

18-05-2009
Toezicht (kabinetsstandpunt)
Ondanks het feit dat decentrale overheden zelf inspanningen moeten leveren om op de hoogte te zijn van het Europese recht, rekent het kabinet het tot zijn taak er aan bij te dragen dat het besef van de Europese invloed en de verstrekkende betekenis ervan bij de decentrale overheden wordt bevorderd. In het kabinetsstandpunt De Europese dimensie van toezicht, staat de vraag centraal of de bestaande instrumenten van toezicht op de naleving van Europeesrechtelijke verplichtingen van decentrale overheden voor de regering voldoende zijn, of dat de toegenomen Europese integratie er toe leidt dat aanvullende, zwaardere toezichtinstrumenten moeten worden ingevoerd.

Toezicht bestaat uit drie soorten instrumenten: informatieve, preventieve en repressieve instrumenten.

Op het gebied van informatieverstrekking heeft het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met het IPO, de VNG en Europa decentraal in 2004 een tweetal handreikingen gepubliceerd. Deze handreikingen bevatten modellen voor door colleges van B en W te nemen besluiten inzake inkoop en aanbesteding van werken, leveringen en diensten, alsmede inzake verlening van steun aan ondernemingen en subsidies. Verder heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Coördinatiepunt Staatssteun decentrale overheden versterkt. Het Coördinatiepunt Staatssteun decentrale overheden van het ministerie van BZK coördineert en begeleidt staatssteunmeldingen en kennisgevingen van gemeenten en provincies aan de Europese Commissie. Ook op het gebied van aanbesteden is het ministerie van BZK actief.

In het kader van de versterking van de kennis over het Europees recht wordt in het kabinetsstandpunt de oprichting van het kenniscentrum Europa decentraal genoemd. Zie dit gedeelte van de site voor meer informatie over de organisatie van Europa decentraal.

Uit het kabinetsstandpunt blijkt dat er geen verplichte preventieve instrumenten zullen worden ingevoerd. Het is aan de vakministers om in bepaalde gevallen gerichte voorlichting en advies te geven over bepaalde aspecten van het Europees recht. Daarnaast kan er informele ambtelijke beïnvloeding plaatshebben (‘peer pressure’).

Het kabinet zal als repressieve instrumenten bevorderen dat in de wet een bevoegdheid wordt opgenomen tot het geven van een bijzondere aanwijzing als door de nationale of Europese rechter, of door de Europese Commissie, is vastgesteld dat een decentrale overheid het gemeenschapsrecht heeft geschonden. Als andere instrumenten falen, kan daarmee in het uiterste geval worden zeker gesteld dat de gemaakte fouten worden gecorrigeerd. Daarnaast wordt ook het invoeren van een regresrecht bevorderd, waardoor de centrale overheid schade kan verhalen op de verzuimende decentrale overheden. Ten slotte zullen de Gemeente-, Provincie- en Waterschapswet zodanig worden gewijzigd dat de bestaande taakverwaarlozingsregelingen zich ook zullen gaan uitstrekken tot beslissingen die volgens het Europese recht worden gevorderd. Het voorstel voor deze wet (toen genaamd:) Toezicht Europese regelgeving (wet TER) werd indertijd aangekondigd voor publicatie in 2007.

(Bron: Handreiking Europaproof gemeente en kabinetsstandpunt 'De Europese dimensie van toezicht' en deze brief van de minister.)
21-09-2011
Europeesrecht en decentralen/toezicht/wetNerpe

De wet TER/ NErmo/ NErpe
Het Rijk krijgt aanvullende instrumenten om de naleving van Europese regels door onder meer decentrale overheden beter te borgen. Deze mogelijkheden biedt het wetsvoorstel Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (NErpe) dat eind februari 2009 voor advies aan de Raad van State is gezonden.
Het Rijk is verantwoordelijk voor de naleving van Europese regelgeving binnen Nederland. Zodra bijvoorbeeld decentrale overheden de Europese regels niet (juist) naleven, wordt het Rijk door de Europese Unie (financieel) aangesproken. In 2004 constateerde het kabinet dat de instrumenten waarover het Rijk beschikt om de naleving van Europese regelgeving te kunnen waarborgen, onvoldoende is.

Het wetsvoorstel NErpe (voorheen ook wel aangeduid als wet Nermo; Naleving Europese regelgeving medeoverheden of wet TER; Toezicht Europees recht) beoogt het Rijk (de ministers op het beleidsterrein waarop zij verantwoordelijk zijn) de bevoegdheid te geven een juridisch afdwingbare aanwijzing te geven wanneer Europese regels niet worden nageleefd. Daarnaast regelt het wetsvoorstel dat een boete of dwangsom die aan het Rijk wordt opgelegd wegens het niet naleven van Europese regels door bijvoorbeeld decentrale overheden op de verantwoordelijke publieke organisatie kan worden verhaald. De aanwijzing of dwangsom of boete kan, indien noodzakelijk, worden opgelegd aan 'publieke entiteiten'. Hieronder worden onder meer gemeenten, provincies en waterschappen verstaan.

De Raad van State had drie maanden de tijd voor een advies. Het advies met het wetsvoorstel zijn in oktober 2009 voor behandeling naar de Tweede Kamer gestuurd. Sindsdien zijn de wetsvoorstelteksten openbaar. Er werd op dat moment gestreefd naar inwerkingtreding van de wet in 2010.

Inhoud wetsvoorstel
Aanwijzingsbevoegdheid
Het wetsvoorstel NErpe geeft (in de artikelen 2 en 3) de verantwoordelijke minister een aanwijzingsbevoegdheid, waarmee een bijzondere aanwijzing aan een publieke entiteit kan worden gegeven wanneer deze verzuimt aan verplichtingen die voortvloeien uit Europese regelgeving te voldoen, of dit dreigt te verzuimen.

De aanwijzingsbevoegdheid zoals vastgelegd in het wetsvoorstel vereist dat het Rijk objectief moet oordelen of sprake is van handelen of nalaten dat in strijd is met het Gemeenschapsrecht. Dit kan al voordat de Europese Commissie een inbreukprocedure op grond van artikel 226 EG is gestart, hetgeen de preventieve werking van deze bevoegdheid versterkt. In verband met het ingrijpende karakter van de instrumenten is de toepassing ervan met waarborgen omkleed. Er kan niet rauwelijks worden overgegaan tot het gebruik van één van de instrumenten. Een aanwijzing dient daarom alleen in uitzonderlijke gevallen en als uiterste redmiddel te worden gebruikt.

Wanneer de betreffende entiteit de aanwijzing niet binnen de in de aanwijzing gegeven termijn heeft opgevolgd, is volgens (artikel 5 van) het wetsvoorstel de verantwoordelijke minister bevoegd om er zelf in te voorzien dat alsnog wordt voldaan. 

Verhaalsrecht
Naast de aanwijzingsbevoegdheid is in (artikel 7 van) het wetsvoorstel vastgelegd dat het Rijk de betaling van een boete of terugbetaling van subsidie kan verhalen op een publieke entiteit. Deze bepaling komt voort uit de reeds bestaande wet Toezicht Europese Subsidies (TES). Het gaat dan om een boete of dwangsom die is opgelegd als gevolg van het niet-naleven van Europeesrechtelijke verplichtingen. Het Rijk kan een boete op een publieke entiteit verhalen als de aansprakelijkheid het gevolg is van het in gebreke blijven van de betreffende entiteit in de nakoming van deze verplichtingen.

Door het ingrijpende karakter van de bovengenoemde instrumenten is het van belang dat de toepassing ervan zorgvuldig wordt voorbereid. Uitgangspunt is daarbij dat de betrokken minister de instrumenten pas hanteert nadat is gebleken dat met de beleidsmatige instrumenten informatievoorziening, voorlichting en (ambtelijk en bestuurlijk) overleg niet het gewenste resultaat wordt bereikt.

Tijdelijke voorziening voor naleving Dienstenrichtlijn
Uiterlijk 28 december 2009 moest de implementatie van de Europese Dienstenrichtlijn plaatsvinden. De omzetting van die Richtlijn in nationale wetgeving vindt plaats via het voorstel voor een Dienstenwet. Decentrale overheden hebben vanaf 2010 in hun uitvoeringspraktijk (vergunningverlening aan dienstverleners) rekening te houden met de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet. Omdat de verwachting al was dat het wetsvoorstel NErpe niet voor het eind van 2009 jaar in werking zou treden, is middels een nota van wijziging een tijdelijke voorziening opgenomen in de Dienstenwet die moet borgen dat de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet correct worden nageleefd. Zodra de wet NErpe in werking treedt, komt deze tijdelijke voorziening in de Dienstenwet te vervallen. Zie voor meer informatie het Dienstenrichtlijn-dossier.

Tijdens de Tweede kamerbehandeling heeft de Kamercommissie van BZK schriftelijke vragen ingediend over het Wetsvoorstel Naleving Europese regels publieke entiteiten. Het wetsvoorstel  introduceert een verhaalsrecht op onder andere gemeenten en provincies bij onterecht uitgekeerde EU subsidies en Europese boetes die Brussel aan de Nederlandse staat oplegt als decentrale overheden die Europese regels niet naleven.
In het wetsvoorstel gaat het om eenzijdig verhaalsrecht. De VNG wil een tweezijdig verhaalsrecht en geen nieuwe aanwijzingsbevoegdheden. Dit  hebben zij de Tweede Kamercommissie laten weten. Een goed voorbeeld is de gemeentelijke handhaving van Europese luchtkwaliteitseisen.  Met de wet NErpe zou het rijk Europese boetes voor slechte handhaving op gemeenten kunnen verhalen. Maar bij de omzetting van Europese eisen in de Nederlandse wet wordt weinig rekening gehouden met gemeenten die hier in praktijk nooit aan kunnen voldoen.

In september 2008 hebben het IPO en de VNG in een reactie op het voornemen voor een wet NErmo al aangegeven een omgekeerd verhaalsrecht en geen nieuwe aanwijzingsbevoegdheden te willen. Dat lieten zij minister Ter Horst in een reactie op de Wet Naleving Europese regelgeving medeoverheden (Wet NErmo) in een brief weten. Omgekeerd verhaalsrecht betekent dat het IPO en de VNG het rijk kunnen aanspreken wanneer het rijk Europese regels niet goed omzet in Nederlandse wetgeving en zij als uitvoerders van die wetgeving worden aangesproken door burgers en bedrijven. Ook zijn het IPO en de VNG het niet eens met de (aanwijzings)bevoegdheden die het rijk krijgt om gemeenten en provincies te dwingen het Europese recht na te leven.In grote lijnen stemmen het IPO en de VNG in met de uitgangspunten die het rijk hanteert. Zo vinden zij het redelijk dat een boete die Nederland moet betalen, wordt verhaald op de decentrale overheid die de Europese regels niet naleeft. Maar het IPO en de VNG wijzen er ook op dat als het rijk Europese regels niet goed omzet in Nederlandse wetgeving en decentrale overheden, als uitvoerders van die wetgeving, worden aangesproken door burgers en bedrijven, zij omgekeerd deze schade verhalen op het rijk. Ook zijn het IPO en de VNG het niet eens met de bevoegdheden die het rijk krijgt om gemeenten en provincies te dwingen het Europese recht na te leven. Zij verwijzen naar het advies van de Commissie Oosting en merken op dat de mogelijkheid van een vernietigingsbesluit op basis van reeds bestaande wetgeving en het verhaals- en regresrecht al voldoende waarborgen bieden.

In een Brief VNG en IPO aan de Tweede Kamer van januari 2010 geven beide koepels aan te twijfelen over de noodzaak voor de wet NErpe. Zij baseren zich hierbij op een promotieonderzoek waaruit blijkt dat bij geen van de 20 gevallen van de laatste vijf jaar waarin het Europese Hof niet-nakoming van EU-verplichtingen door Nederland had geconstateerd, de niet nakoming was te wijten aan een decentrale overheid. Zie voor meer informatie ook het Nieuwsbericht VNG ‘VNG en IPO kritisch over noodzaak wet NErpe’ en het Persbericht IPO ‘Wet voor naleving Europese regelgeving onnodig’.

In september 2010 is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer naar de Eerste Kamer doorgestuurd voor verdere behandeling. VNG en IPO laten de Eerste Kamer medio oktober 2010 weten teleurgesteld te zijn over het zonder beraadslaging aannemen van de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (wet NErpe) door de Tweede Kamer. In de eerdere (hierboven genoemde) brieven hebben IPO en VNG hun bezwaren over de wet kenbaar gemaakt, daar heeft de Tweede Kamer geen rekening mee gehouden. Nu binnenkort de Eerste Kamer zich over het wetsvoorstel buigt vragen IPO en VNG de senatoren om de wet te verwerpen.

In november 2010 is in de Eerste Kamerbehandeling in de Vaste Commissie van BZK/Algemene zaken een aantal kamervragen ingebracht. Lees hier het verslag van die vergadering, vastgesteld op 29 november (Eerste Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32157, B). Op 10 mei 2011 is de Memorie van Antwoord uitgebracht (32157 C).

Zie voor de stukken:
Wetsvoorstel Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (Kst. 32157 nr. 2 TK)
Memorie van toelichting bij wetsvoorstel (Kst. 32157 nr. 3 TK)
Eerste nota van wijziging wetsvoorstel (Kst. 32157 nr. 7 TK)
Tweede nota van wijziging wetsvoorstel (Kst. 32157 nr. 8 TK)
29-10-2010
Toezicht (Wet TES)
Wet TES
Ten slotte kan gewezen worden op de Wet toezicht Europese subsidies (2002; gewijzigd in 2005), waarin aan de minister die het aangaat de bevoegdheid is toegekend om toezicht te houden op niet tot de staat behorende bestuursorganen die EG-subsidies ontvangen. In het kader van dit toezicht kan de minister aanwijzingen geven aan het bestuursorgaan omtrent de rechtmatige en de doelmatige aanwending van de EG-subsidies. Hij kan ook bedragen verhalen op het betrokken bestuursorgaan indien de staat in verband met diens verzuim door het Europese Hof van Justitie verplicht wordt tot het betalen van een forfaitaire som of dwangsom. De wet TES zal komen te vervallen bij inwerkingtreding van de wet NErpe.
02-11-2010
Toezicht (meer info)
Meer informatie:
Meer informatie over het kabinetsstandpunt 'De Europese dimensie van toezicht' en het bijbehorende ICER rapport is te lezen in dit artikel van prof. dr. B. Hessel in de Gemeentestem 2005, 7225.

Nummer 5 van 2010, RegelMaat betreft een themanummer over de wet NErpe, met diverse bijdragen van onder meer mr. R.J.M. van den Tweel, prof. dr. B. Hessel en J.H. Reestman en H. Bosdriesz.