HomeDossiersStaatssteunUitsprakenDAEB

Staatssteun

Voorpagina Kernvragen Wet- en regelgeving Uitspraken Procedures Info&Service
 

DAEB

01-02-2010
DAB Jurisprudentie staatssteun
DAEB en staatssteun
In het verleden is de jurisprudentie van het Hof en het Gerecht van Eerste Aanleg nogal tegenstrijdig geweest wat betreft de noodzaak om compensatie voor diensten van algemeen economisch belang als staatssteun te beschouwen en bij de Commissie ter goedkeuring aan te melden. Wel gaan beiden ervan uit dat meerkosten die onontbeerlijk zijn om diensten van algemeen economisch belang uit te kunnen voeren, op compensatie van de overheid kunnen rekenen.

In de zaak T-106/95 FFSA oordeelde het Gerecht dat een dergelijke compensatie staatssteun is, maar wel verenigbaar is met het EG-Verdrag. Het is de bevoegdheid van de Commissie om de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt te beoordelen. Zo moest de compensatie vooraf worden aangemeld bij de Commissie.

Later heeft het Hof voor de 'geen steun'-opvatting gekozen: een compensatie van meerkosten voor de uitoefening van een dienst van algemeen economisch belang is geen staatssteun wanneer het voordeel niet groter is dan de extra kosten die men door deze dienstverlening draagt (zaak C-53/00 Ferring). De in dit kader belangrijke uitspraak van het Hof van 24 juli 2003 in de zaak C-280/00 Altmark heeft nog duidelijker uitgewezen dat financiering ter compensatie van openbare dienstverplichtingen geen staatssteun is en behoeft daarmee niet te worden aangemeld bij de Commissie. Tegelijkertijd heeft het Hof duidelijk gemaakt dat er aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan:
1. De begunstigde onderneming moet daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en moeten die verplichtingen duidelijk omschreven zijn.

2. De parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, moeten vooraf op objectieve en doorzichtige wijze worden vastgesteld.

3. De compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, geheel of gedeeltelijk te dekken.

4. Wanneer de keuze niet is gemaakt in het kader van een openbare aanbesteding, moet het bedrag van de compensatie worden vastgesteld aan de hand van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming zou hebben gemaakt (rekening houdend met de opbrengsten en met een redelijke winst uit de uitoefening van haar verplichtingen).
Als niet aan alle vier voorwaarden is voldaan of als er getwijfeld wordt, zou alsnog moeten worden aangemeld om goedkeuring van de Commissie op basis van artikel 106 lid 2 VWEU te verkrijgen.

De zaak GEMO (C-126/01). Volgens deze uitspraak kan een DAEB op zich ook een economisch voordeel aan ondernemingen bevatten als de overheid de kosten op zich neemt die normaliter door bedrijven gedragen moeten worden. Een dergelijke regeling bevat elementen van staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU.

In de zaak Enirisorse (C-34/01 t/m 38/01) licht het Hof voor het eerst de Altmark-criteria nader toe. Een DAEB moet gerelateerd zijn aan een duidelijk omschreven taak van openbare dienstverlening. Deze taak dient duidelijk afgebakend te worden. De omvang van de compensatie voor het vervullen van deze taak dient berekend te worden op basis van vooraf op objectieve en doorzichtige wijze vastgestelde parameters.

Uit de uitspraak van het Gerecht in de zaak T-274/01 Valmont kan worden afgeleid dat ondanks het feit dat een semi-openbare parkeerplaats niet als openbare infrastructuur kan worden beschouwd, hoeft de overheidsfinanciering niet per definitie aangemerkt te worden als staatssteun. Wanneer blijkt dat de particuliere eigenaar van de parkeerplaats in het algemeen belang een last draagt, moet volgens het Gerecht een toets aan de criteria van het Altmark-arrest worden uitgevoerd. Aan de hand van deze toets moet worden bepaald of er daadwerkelijk sprake is van een compensatie voor de kosten van een openbaredienstverplichting en derhalve geen staatssteun.
01-02-2010
DAB Jurisprudentie definities
Wat is een DAEB?
Een algemene definitie van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) wordt in de jurisprudentie niet gegeven. Uit de rechtspraak (T-106/95 FFSA, punt 192) volgt dat de Commissie ‘bij gebreke van een gemeenschapsregeling ter zake niet bevoegd is zich uit te spreken over de organisatie en de omvang van de aan een overheidsonderneming opgedragen openbare dienstverleningstaken noch over de opportuniteit van de desbetreffende politieke keuzes van de bevoegde nationale autoriteiten, dit voor zover de toekenning van de betrokken steun niet ten goede komt aan de activiteiten in de concurrentiële sectoren en de steun niet hoger is dan noodzakelijk om de betrokken onderneming in staat te stellen de haar toevertrouwde bijzondere taak te vervullen’. Wanneer echter de voorwaarden voor het opleggen van openbaredienstverplichtingen in een communautair document zijn vastgelegd, mogen de lidstaten (en decentrale overheden) daarvan niet afwijken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld Europese verordeningen op het gebied van openbaar vervoer. De Europese Commissie dient erover te waken dat deze bepalingen zonder kennelijke fouten worden toegepast.

Wie mag een DAEB verrichten?
Artikel 106 lid 2 VWEU staat toe dat de ondernemingen die belast zijn met het beheer van de diensten van algemeen economisch belang van de mededingingsregels mogen afwijken als deze de vervulling van aan hen toevertrouwde taken verhindert. De jurisprudentie zet uiteen wanneer zulke uitzonderingen mogelijk zijn. Volgens de zaak 127/73 BRT I SABAM  gelden de uitzonderingen zowel voor openbare bedrijven (zoals nutsbedrijven) als particuliere ondernemingen die diensten van algemeen economisch belang in opdracht van de overheid verrichten.

Het opleggen van een 'bijzondere taak'
In het arrest 127/73 BRT I SABAM (punt 23) heeft het Hof benadrukt dat het begrip 'dienst van algemeen economisch belang' in de zin van artikel 106 van het Verdrag betreffende de werking van de EU met name impliceert dat de staat de onderneming een 'bijzondere taak' oplegt. Volgens het Hof 'kan zulks niet het geval zijn bij een onderneming waaraan de Staat geen enkele taak heeft opgedragen en die particuliere belangen beheert [..]'.

Het feit dat een onderneming een exclusief of bijzonder recht heeft om een dienst te verrichten, duidt als zodanig niet op de verplichting om een DAEB te verrichten. Dit is pas het geval indien de DAEB is opgelegd. Wel vormt een een exclusief of bijzonder recht vaak een tegenprestatie voor een DAEB (C-179/90 Porto di Genova over het exclusieve recht tot het laden en lossen van goederen in een haven). Uit dit arrest blijkt dat havenwerkzaamheden in beginsel geen algemeen economisch belang dienen dat hen van andere economische activiteiten onderscheidt.

Welke kenmerken heeft een DAEB?
Het Hof heeft geoordeeld dat 'de werkzaamheden inzake vast- en ontmeren [in een haven] een algemeen economisch belang dienen dat zich door zijn specifieke kenmerken onderscheidt van dat van andere economische activiteiten en waardoor die werkzaamheden binnen de werkingssfeer van artikel 106, lid 2, van het VWEU kunnen vallen. Het walpersoneel dient immers te allen tijde en ten behoeve van elke gebruiker een universele dienst inzake vast- en ontmeren te verzekeren en wel omwille van de veiligheid in de havens' (C-266/96 Corsica Ferries).

Het Hof heeft dezelfde kwalificatie ook toegepast op postdiensten in de zaak C-320/91 Corbeau. De overweging is dat 'niet kan worden betwist, dat de [onderneming] belast is met een dienst van algemeen economisch belang, bestaande in de verplichting te zorgen voor het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken, ten behoeve van alle gebruikers, over het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat, tegen eenvormige tarieven en onder vergelijkbare voorwaarden van kwaliteit, zonder te letten op bijzondere situaties en op de economische rentabiliteit van elke individuele verrichting.  Verder heeft het Hof geoordeeld dat specifieke diensten die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en meer activiteiten vergen die de traditionele post niet aanbiedt, geen diensten van algemeen belang zijn.

Er is geen sprake van een DAEB wanneer de betrokken activiteit geheel geen specifieke kenmerken heeft waarmee deze van andere economische activiteiten onderscheiden kan worden, of wanneer deze activiteit reeds op bevredigende wijze verricht wordt door ondernemingen die volgens de regels van de markt werken. Zo blijkt uit het arrest C-179/90 Porto di Genova over het exclusieve recht tot het laden en lossen van goederen in een haven dat havenwerkzaamheden in beginsel geen DAEB zijn. Een DAEB moet immers algemeen economisch belang dienen dat deze dienst van andere economische activiteiten onderscheidt.

Voorbeelden van DAEB

Activiteiten die het Hof erkend heeft als DAEB zijn onder meer het bevaarbaar houden van een belangrijke waterweg (10/71 Muller/Luxemburg), het verzorgen van televisie-uitzendingen (155/73 Sacchi), watervoorziening (96/82 IAZ), het verrichten van diensten op het gebied van telecommunicatie (41/83 Italië/ Commissie), post- en telecommunicatiediensten (C-320/91 Corbeau), beheer van afvalstoffen (C-209/98 FFAD), arbeidsbemiddeling (C-41/90 Höfner), ambulancevervoer (C-475/99 Ambulanz-Glöckner) en exploitatie van niet-rendabele vervoerstrajecten (66/86 Ahmed Saeed Flugreisen en C-280/00 Altmark). De Europese Commissie heeft het aanleggen en exploiteren van breedbandnetwerken bij publieke instellingen en in afgelegen en achtergestelde gebieden (beschikking N 381/2004 Pyrénées-Atlantiques) er aan toegevoegd. Verder blijkt uit de regelgeving dat ook het voorzien in sociale woningbouw als een DAEB kan worden aangemerkt.