Regionale steunkaart Nederland
In de regionale steunkaart wordt aangegeven welke regio’s in aanmerking komen voor regionale steun. Alleen decentrale overheden die deel uitmaken van de aangewezen regio’s kunnen regionale steun toekennen. De Europese Commissie heeft in 2005 en 2006 de regels voor regionale steun herzien. Volgens de nieuwe Richtsnoeren heeft de steunkaart betrekking op een kleiner gebied.
Oude steunkaart 2000-2006
De regionale steun in Nederland was voor de periode 2000-2006 beperkt tot bepaalde gebieden in Noord-Nederland, Twente, Zuid- en Midden-Limburg, Lelystad en Urk. Deze gebieden bestreken 15% van de totale bevolking van Nederland. De centrale steunregeling voor het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 (BSRI) en de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 waren voorbeelden van regelingen die onder de oude Regionale richtsnoeren vielen en tot eind 2006 geldig waren.
Nieuwe steunkaart 2007-2013
De nieuwe steunkaart voor Nederland voor de periode 2007-2013 is inmiddels vastgesteld. Decentrale overheden kunnen weer steun verlenen op basis van de regionale richtsnoeren en de vrijstellingsverordening. Zie
hier een document met daarin de meestgestelde vragen over regionale steun en een opsomming van regio’s die op de Nederlandse steunkaart staan.
Wat zijn de verschillen ten opzichte van de vorige steunkaart?
In de periode 2000-2006 leefde 15 % van de Nederlandse bevolking in regio’s die voldeden aan de criteria van artikel 107 lid 3 sub c Verdrag betreffende de werking van de EU. De maximum steunintensiteit die toegekend mocht worden varieerde tussen de 10 % en 20 %. De steunintensiteit ziet op het steunbedrag, uitgedrukt als subsidie-equivalent, het gaat hierbij dus om de contante waarde van de steun, uitgedrukt als een percentage van de contante waarde van de in aanmerking komende kosten.
Tot en met 2008 is er voor Nederland sprake van een overgangsperiode en is de maximale bevolkingsdekking van de steunkaart vastgesteld op 9,9% van de bevolking. Vanaf 2010 wordt het nog maar 7,5% van de Nederlandse bevolking. Dat betekent dat provincies en gemeenten in de komende periode regionale steun op een nog beperktere schaal in kunnen zetten.
In de nieuwe periode van 2007-2013 is het percentage van de bevolking in dergelijke regio’s gehalveerd, het percentage van de totale Nederlandse bevolking dat in regio’s onder artikel 107 lid 3 sub c VWEU valt, bedraagt nu 7,5 %. De periode 2007-2008 is een overgangsperiode waarbij een additionele dekking van 2,4 % van de bevolking geldt (dus totaal 9,9 % van de bevolking). Ook is de maximum steunintensiteit met de komst van de nieuwe steunkaart veranderd en bedraagt nu 10 % tot 15 %.
Brief minister
Minister van Economische Zaken Maria van der Hoeven motiveert in een
brief aan de Tweede Kamer (13 april 2007) voor de gebieden die niet op de steunkaart komen, waarom de keuze zo is gemaakt. Mede omdat de Tweede Kamer eerder gezegd heeft dat in Nederland ondersteunde gebieden aan eveneens ondersteunde gebieden in Duitsland of België moeten grenzen, liggen gebieden die wel een beroep kunnen doen op subsidies, in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Limburg. Twente, de Achterhoek en Flevolandse gemeenten Lelystad en Urk (beide na 2009) staan er niet meer bij.