De zogenaamde ‘Lissabonstrategie’ is de overkoepelende strategische doelstelling van de EU die gericht is op duurzame economische groei en werkgelegenheid. Hierbij zijn overheden op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau betrokken. Ook voor decentrale overheden zijn de Lissabondoelstellingen van belang aangezien de effecten van de sociale en economische situatie in EU met name op regionaal en lokaal niveau merkbaar zijn. Voor veel terreinen die onder ‘Lissabon’ vallen is actie op lokaal en regionaal niveau dan ook het meest effectief.
De Europese Raad, in maart 2000 bijeen in Lissabon, besloot tot het stellen van een nieuwe strategische doelstelling voor de Europese Unie. Deze zogenaamde ‘Lissabonstrategie’ moest ertoe leiden dat de EU in 2010 de meest concurrerende en duurzame kenniseconomie ter wereld zou worden. Kennis en innovatie, duurzaamheid, hervorming van het sociale zekerheidsbeleid, een goed ondernemingsklimaat en een betere werking van de interne markt waren daarbij de speerpunten. De belangrijkste reden voor het inzetten op verbetering van deze punten was de achterblijvende prestatie van de EU ten opzichte van andere werelddelen op gebieden als productiviteit, investeringen, onderzoek en (kennis)ontwikkeling.
De Europese Raad van Göteborg van juni 2001 heeft de strategie verbreed door nadruk te leggen op bescherming van het milieu en het bereiken van een duurzamer ontwikkelingspatroon. Hierbij spelen de onderwerpen klimaatverandering, duurzaam vervoer, volksgezondheid, natuurlijke rijkdommen en het integreren van milieubeleid in andere beleidsgebieden een belangrijke rol.
Sinds de bijeenkomst in Lissabon bespreekt de Europese Raad iedere Voorjaarstop (in maart) de voortgang van de Lissabonstrategie. In 2004 werd besloten een tussentijdse evaluatie van Lissabon te houden ter voorbereiding op de Voorjaartop in maart 2005. Voormalig minister-president Kok werd aangesteld als voorzitter van een groep experts, die de evaluatie uitvoerde. Het Kok-rapport concludeerde in november 2004 dat er weinig vooruitgang was geboekt in de eerste vijf jaren van de strategie en deed de aanbeveling om de Lissabonagenda toe te spitsen op groei en werkgelegenheid. Ook werd het belang van grotere betrokkenheid van de lidstaten bij de uitvoering ervan benadrukt.
Dit heeft ertoe geleid dat de Unie de strategie in maart 2005 tijdens de Europese Voorjaartop heeft herzien en een ‘herstart’ heeft gegeven, gericht op groei en banen. Speerpunten hierbij zijn onder meer de EU aantrekkelijk maken voor investeerders en werknemers door verdere ontwikkeling van de interne markt, verbetering van Europese en nationale regelgeving, verbetering van de Europese infrastructuur, het stimuleren van kennis en innovatie door investeringen in onderzoek en ontwikkeling en het gebruik van ICT-middelen (ook in publieke diensten). Op het gebied van werkgelegenheid liggen de speerpunten op het terrein van banenontwikkeling, het moderniseren van de sociale zekerheid, het stimuleren van oudere werknemers om actief te blijven op de arbeidsmarkt, arbeidsmobiliteit (bijvoorbeeld door wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties of diploma’s), te investeren in onderwijs en ‘levenslang leren’. Tot slot wordt ingezet op betere wetgeving en meer transparantie.
Kort samengevat is de Lissabonstrategie dus een overkoepelende strategische doelstelling van de EU die zich richt op duurzame economische groei en werkgelegenheid. De uitvoering geschiedt op basis van de zogenaamde ‘open coördinatiemethode’. Gezien het feit dat de Lissabonstrategie voornamelijk beleidsterreinen betreft die onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen (zoals economisch beleid en werkgelegenheid), maakt de EU in dit kader dus geen wetgeving of beleid, maar coördineert de activiteiten van de lidstaten. In dit kader worden doelstellingen geformuleerd, zodat de lidstaten via ‘benchmarking’ en het uitwisselen van goede ervaringen vrij zijn om (via ‘Nationale Hervormingsprogramma’s’) een min of meer eigen invulling aan de Lissabonagenda te geven.
De lidstaten hebben in oktober 2006 een voortgangsrapport aan de Commissie gestuurd over de uitvoering van hun Nationale Hervormingsprogramma's. Een verslag hierover van de Commissie is aangeboden aan de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007. De Europese Raad constateerde dat het Lissabonproces zijn vruchten begint af te werpen. Dit valt af te lezen uit hogere groeicijfers en lagere werkloosheidspercentages. De Europese Raad benadrukte tevens de sociale dimensie van de Lissabonstrategie en het principe van ‘goed werk’ (passende werkomstandigheden, gelijke kansen en veiligheid op het werk etc.). Tevens bespraken de staatshoofden en regeringsleiders de landenspecifieke rapporten van de lidstaten. Deze rapporten zijn in december 2006 opgesteld door de Europese Commissie. De Europese Commissie deed aan Nederland de aanbeveling dat er meer gedaan moet worden aan het verbeteren van het arbeidsaanbod, speciaal voor minderheidsgroepen. Hierbij spelen voornamelijk gemeenten een belangrijke rol. Verder merkte de Commissie op dat gemeenten en provincies in Nederland betrokken zijn geweest bij het opstellen van het voortgangsverslag. Hierdoor wordt de betrokkenheid bij de Lissabonstrategie op alle overheidsniveau’s vergroot. Tijdens de Europese Raad van maart 2007 bevestigden de staatshoofden en regeringsleiders het belang van uitwisseling van beste praktijken en een sterkere betrokkenheid van onder meer lokale en regionale overheden bij de uitvoering van de Lissabondoelstellingen. In het najaar van 2007 wordt van de lidstaten opnieuw een voortgangsrapportage verwacht over de nationale en decentrale uitvoering van de Lissabondoelstellingen.
Over de inhoud van de strategie, de relevante ontwikkelingen op dat gebied en de lokale en regionale dimensie van ‘Lissabon’ is meer te lezen in het factsheet '
De Lissabonstrategie en decentrale overheden', wat momenteel wordt geactualiseerd. In andere dossiers op deze website is meer informatie over specifieke aspecten van de Lissabonstrategie opgenomen, waaronder het volgende:
'Decentrale overheden en Lissabon'