HomeDossiersStaatssteunWet- en regelgevingVerdragsuitzonderingen steunverbod

Staatssteun

Voorpagina Kernvragen Wet- en regelgeving Uitspraken Procedures Info&Service
 

Verdragsuitzonderingen steunverbod

01-02-2010
Staatssteun wetgeving verdragsuitzonderingen staatssteunverbod
Verdragsuitzonderingen staatssteunverbod
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat sommige steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt en andere steunmaatregelen verenigbaar kunnen worden beschouwd.

Verenigbare steunmaatregelen (artikel 107 lid 2 VWEU)
Lid 2 van artikel 107 VWEU noemt drie uitzonderingen op het steunverbod. Hieronder vallen steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers en steunmaatregelen in verband met (natuur)rampen of andere buitengewone gebeurtenissen. Voor Nederland is voornamelijk de laatste uitzondering, en dan nog in uitzonderlijke gevallen, relevant. Zo heeft de Nederlandse overheid op dit artikel beroep gedaan bij het ontwerp van een schadevergoedingsregeling aan ondernemingen in het rampgebied na de vuurwerkramp in Enschede. De Commissie heeft bij deze verdragsuitzonderingen geen beoordelingsvrijheid. Dat houdt in dat een (decentrale) overheid een ontworpen steunmaatregel die volgens haar onder een van deze drie verdragsuitzonderingen valt, vooraf bij de Commissie moet melden. Wanneer na toetsing van de Commissie blijkt dat een steunmaatregel inderdaad onder een van de uitzonderingen valt, dan is deze per definitie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Mogelijk verenigbare steun (artikel 107 lid 3 VWEU)
Anders dan bij het tweede lid van artikel 107 VWEU heeft de Commissie bij lid drie wel beoordelingsvrijheid. Wanneer zij een maatregel onder een van de uitzonderingen van lid 3 schaart, dan is deze mogelijk verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De Commissie zal altijd toetsen of de steunmaatregel noodzakelijk is om de doelstelling te bereiken (noodzakelijkheidstoets) en of de steun proportioneel is in duur, intensiteit en reikwijdte om dit doel te bereiken (proportionaliteitstoets).

- Artikel 107 lid 3 onder a
Omdat onder (a) genoemde steunmaatregelen alleen toegestaan zijn in gebieden waar de levensstandaard onder het gemiddelde van de Gemeenschap ligt, komt Nederland hiervoor niet in aanmerking.

- Artikel 107 lid 3 onder b
Het begrip ‘belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang’ kan ruim worden
geïnterpreteerd en valt daarom moeilijk te definiëren. De Europese Commissie gaat er vanuit dat een project slechts van gemeenschappelijk Europees belang is wanneer het deel uitmaakt van een supranationaal Europees programma, dat door de regeringen van de lidstaten wordt gesteund, of wanneer het een onderdeel vormt van een programma waartoe verschillende lidstaten in onderling overleg hebben besloten om zo het hoofd te bieden aan een gemeenschappelijke dreiging, zoals milieuverontreiniging.

- Artikel 107 lid 3 onder c
Maatregelen die ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid óf die van regionale economieën vergemakkelijken, kunnen onder (c) worden geschaard. Deze uitzondering laat de Commissie een grote beleidsvrijheid en wordt het meest ingeroepen. Een eis is wel dat de betreffende staatssteun de omstandigheden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zódanig verandert, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De overheden moeten er zelf voor zorgen dat de door hen geplande steun aan de toepassingsvoorwaarden voldoet. Er moeten geen nieuwe problemen zoals overcapaciteit ontstaan en de problemen moeten niet worden afgewenteld op andere lidstaten zodat elders bijvoorbeeld (meer) werkloosheid ontstaat.

Steunmaatregelen onder dit lid moeten de dynamiek en de economische activiteiten bevorderen. Ze moeten doeltreffend bijdragen aan de verbetering van de sectoriele en/of regionale structuur in de Gemeenschap. Daarnaast mogen ze de mededinging slechts in geringe mate vervalsen. De begunstigde ondernemingen moeten door de staatssteun in staat worden gesteld de mededinging op de markt binnen een zekere tijd met eigen middelen het hoofd te bieden.
De uitzondering betreffende ontwikkeling van regionale economieën is in Nederland relevant voor de gebieden die op de zogenaamde steunkaart staan.

- Artikel 107 lid 3 onder d
De ontplooiing van de culturen van de lidstaten en de instandhouding van het cultureel erfgoed in Europa kunnen als gemeenschappelijk belang worden aangemerkt. Dit artikel biedt om die reden ruimte voor steun aan cultuur. Bij veel culturele subsidies hoeft deze uitzondering niet te spelen, omdat deze niet aan de staatssteuncriteria voldoen (er is bijvoorbeeld geen sprake van een onderneming, of het gaat om een puur lokale organisatie en activiteiten). Deze uitzondering is dus relevant als de cultuursteun wordt verleend aan een organisatie die ondernemingsactiviteiten ontplooit. Dit wordt wel steeds relevanter, gezien de opkomst van commerciële (neven)activiteiten van culturele instellingen. De cultuuruitzondering wordt relatief strikt toegepast en een decentrale overheid moet daarom een goede onderbouwing van het cultureel belang geven. Zie verder Cultuur.

- Artikel 107 lid 3 onder e
De uitzonderingsmogelijkheid van dit lid is ontworpen voor andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad op voorstel van de Europese Commissie.