Bij het vergeven van overheidsopdrachten hebben decentrale overheden aan twee zijden te maken met integriteitsaspecten. Aan de ene kant wensen decentrale overheden zelf als betrouwbare en integere opdrachtgever te handelen, aan de andere kant willen decentrale overheden te maken hebben met betrouwbare en integere opdrachtnemers.
Om de eigen integriteit te bewerkstelligen en te benadrukken maken veel decentrale overheden integriteitsbeleid onderdeel van hun inkoop- en aanbestedingsbeleid. Daarbij worden bijvoorbeeld regels gehanteerd ten aanzien van het aannemen van relatiegeschenken of het vervullen van nevenfuncties. Ook worden er in organisatorische zin maatregelen genomen ter waarborging van functiescheiding en/of functieroulatie van bij de uitvoering van aanbestedingen betrokken functionarissen.
Ten aanzien van de integriteit van contractpartners van decentrale overheden, staan een aantal instrumenten open. Zo levert aanbestedingsrichtlijn 2004/18 een aantal dwingende en facultatieve
uitsluitingsgronden om inschrijvende partijen uit te sluiten van (verdere) deelname aan aanbestedingsprocedure, bijvoorbeeld ter bestrijding van fraude en corruptie.
Ook kunnen decentrale overheden kiezen voor toepassing van de wet Bibob (wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) op overheidsaanbestedingen.
Tot slot ontplooien ook marktpartijen steeds vaker initiatieven om hun integriteit te waarborgen. Zo stellen zij gedragscodes op die zij expliciet opvoeren en naleven bij inschrijvingen op overheidsopdrachten.
De
Aanbestedingswet zal een verplichte toetsing van de integriteit van ondernemers door overheidsaanbesteders invoeren, waarbij de aanbestedende dienst verplicht is om ondernemers te vragen een integriteitsverklaring aanbesteden (waarschijnlijk in de vorm van een Verklaring omtrent gedrag (VOG-Verklaring)) te overleggen voordat zij een opdracht gunnen.