HomeDossiersVrij verkeerDienstenJurisprudentie

Vrij verkeer

Voorpagina Personen Diensten Goederen Kapitaal Praktijk Info&Service
 

Jurisprudentie

07-03-2011
Jurisprudentie vrij dienstenverkeer
Hieronder wordt een aantal - voor decentrale overheden - relevante zaken genoemd, waaruit blijkt wanneer overheden geconfronteerd kunnen worden met de regels over het vrij verkeer van diensten.

Overheid
In de zaak Humbel (zaak 263/86) bepaalde het Hof dat ‘cursussen gegeven aan een technisch instituut behorende tot het secundair onderwijs in het kader van het nationale onderwijsstelsel, niet aan te merken zijn als diensten in de zin van de Verdragsbepalingen’. Later werd in Wirth (zaak C-109/92) bepaald dat onderwijs gegeven aan hogescholen die een winstoogmerk nastreven en die hoofdzakelijk uit particuliere middelen worden gefinancierd wel diensten in de zin van het Verdrag zijn. Met overheidsdiensten is de grens tussen publiek en privaat vaak lastig te trekken. Op het gebied van de gezondheidszorg speelt hetzelfde dilemma. In Smits/Peerbooms (C-157/99) deed het Hof een uitspraak waardoor ook medische zorg onder het vrije dienstenverkeer werd gerekend.

De zaak Ciola C-224/97 ging over een – door de lidstaat Oostenrijk opgelegde - beperking van het aantal (duurdere) ligplaatsen in een lokale jachthaven voor in het buitenland woonachtige booteigenaren. Het Hof oordeelde dat, ondanks het feit dat de beperking van het aantal ligplaatsen aan in het buitenland woonachtige booteigenaren niet als zodanig was gebaseerd op nationaliteit (en om die reden niet als een rechtstreekse discriminatie kon worden aangemerkt), het in dit geval wel ging om een onderscheidend criterium (woonplaats). De lokale overheid in Oostenrijk beriep zich bij het stellen van een maximum aan het aantal plaatsen voor buitenlandse booteigenaren op 'dwingende redenen van algemeen belang', namelijk de noodzaak om (goedkopere) ligplaatsen open te houden voor plaatselijke booteigenaren. Maar het Hof oordeelde anders: 'Nationale regelingen die niet zonder onderscheid van toepassing zijn op dienstverrichtingen, ongeacht de woonplaats van degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, en die mitsdien discriminerend zijn, zijn slechts verenigbaar met het gemeenschapsrecht, indien zij onder een uitdrukkelijke afwijkende bepaling kunnen vallen; doelstellingen van economische aard kunnen echter geen redenen van openbare orde vormen. Bijgevolg is de invoering door een lidstaat van een maximumcontingent ter beperking van het aantal ligplaatsen dat aan in een andere lidstaat woonachtige booteigenaren kunnen worden verhuurd, in strijd met het beginsel van vrije dienstverrichting.'

In de zaak De Coster C-17/00 ging het om een gemeentelijke belasting op schotelantennes, die geheven werd om een ongecontroleerde toename van antennes in die gemeente tegen te gaan en zo de kwaliteit van het milieu te bewaren. De belasting maakte geen onderscheid in belastingplichtigen, maar doordat televisie uitzendingen van de Belgische omroepen onbeperkt (en gratis) op de kabel werden toegelaten en van buitenlandse omroepen maximaal één zender per staat op de kabel werd toegelaten, kwam het erop neer dat de meeste de buitenlandse uitzendingen slechts met schotelantennes ontvangen konden worden. De afnemers van de diensten werd de toegang tot omroepen uit andere lidstaten onaantrekkelijk gemaakt, aangezien op de ontvangst van de uitzendingen een last drukte die normaal niet drukte op uitzendingen van in België gevestigde omroeporganisaties. Het Hof oordeelde dat 'ofschoon bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de directe belastingen als zodanig niet tot de bevoegdheidssfeer van de gemeenschap behoren, de lidstaten niettemin verplicht zijn de bij hen verbleven bevoegdheden in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen.' Op het gebied van de vrijheid van dienstverrichting heeft het Hof aldus erkend, dat een nationale belastingmaatregel die de uitoefening van deze vrijheid belemmert, een verboden maatregel kon zijn. Aangezien de overheid in haar optreden de regels betreffende de vrijheid van dienstverrichting moet naleven, maakt het in dit verband niet uit, dat de betrokken belastingmaatregel, zoals in het hoofdgeding, uitgaat van een plaatselijke overheid en niet van de staat zelf. Uit een en ander volgt dat de door het belastingreglement ingevoerde belasting op schotelantennes de in de andere lidstaten dan België gevestigde marktdeelnemers op het gebied van uitzending van radio- en televisieprogramma's in hun activiteiten meer belemmert dan de in België gevestigde marktdeelnemers, en de Belgische nationale markt alsmede het omroepbedrijf en de kabelexploitatie binnen deze lidstaat een bijzonder voordeel oplevert. De belastingheffing werd dus gezien als een belemmering van het vrije verkeer van diensten en bovendien was de regeling in die vorm niet noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken, en dus in strijd met EU-recht.

Toeristen
In het arrest Luisi en Carbone (zaken 286/82 en 26/83) was sprake van Italiaanse toeristen die voor een medische behandeling naar het buitenland wilden gaan. Om voor deze behandeling te kunnen betalen, vervoerden zij een groot bedrag aan contant geld. Volgens de Italiaanse deviezenwetgeving was dit echter niet toegestaan. Maar het Hof vond dat 'transfers van deviezen voor toeristische doeleinden, zakenreizen, studie en medische behandeling betalingen zijn en geen kapitaalverkeer, ook wanneer zij plaatsvinden door materiële uitvoer van bankbiljetten'. Het Hof gaf daarmee aan dat ook dienstontvangers (en niet alleen dienstverleners) die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, een beroep op het vrij verkeer van diensten kunnen doen. Uit het arrest bleek dat de vrijheid om diensten te kunnen verlenen in het buitenland onlosmakelijk verbonden was met het ontvangen van diensten in het buitenland.
In latere zaken werd deze redenering (toeristen die in het buitenland als afnemers van diensten worden gezien) verder uitgebreid. Dit bleek uit de zaak Cowan (186/87). In Frankrijk wonende personen met de Franse nationaliteit konden een schadevergoeding krijgen bij geweldsmisdrijven in de metro. Het Hof oordeelde dat toeristen, als ontvangers van diensten, zich op het non-discriminatie beginsel konden beroepen. Ze bevonden zich in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie en de benadeelde toerist in deze zaak, de heer Cowan met de Britse nationaliteit, kon daardoor ook in aanmerking komen voor een schadeloosstelling van de Franse autoriteiten.

Toeristen uit andere lidstaten hebben dus het recht om van dezelfde overheidsvoorzieningen gebruik te kunnen maken als de inwoners van de eigen lidstaat. Dit geldt ook voor bepaalde goedkopere tarieven voor bijvoorbeeld openbaar vervoer of musea. Het bieden van bepaalde voordelen aan personen die woonachtig zijn in een specifieke gemeente of regio kan discriminerend zijn. Een maatregel is indirect discriminerend als deze zowel voor nationale onderdanen (bijv. woonachtig buiten de gemeente) als migrerende Unieburgers geldt, maar in uitwerking vooral migrerende onderdanen van andere lidstaten treft of door hen moeilijker is te vervullen. In de zaak C-388/01 over de toegang tot Italiaanse musea stond het door de decentrale overheden toegekende recht op tariefvoordelen bij de toegang tot musea, historische gebouwen, parken, enz., centraal. Dit recht werd alleen toegekend aan personen jonger dan 17 en ouder dan 60 of 65 jaar met de Italiaanse nationaliteit of ingezetenen van een bepaalde regio in Italië. Het Hof oordeelde dat het woonplaatsvereiste gekwalificeerd moet worden als een (indirecte) discriminatie op grond van nationaliteit. Een indirect discriminerende woonplaatseis kan alleen gerechtvaardigd zijn op basis van objectieve overwegingen die los staan van de nationaliteit en evenredig zijn aan een legitieme doelstelling.

Maastrichtse coffeeshopzaak (C-137/09)
In 2005 is de gemeente Maastricht een pilotproject gestart om drugstoerisme uit de omringende landen tegen te gaan. In de APV werd opgenomen dat alleen ingezetenen van Nederland toegang hebben tot de coffeeshops in de gemeente. Josemans exploiteert in Maastricht een coffeeshop. Nadat tweemaal was geconstateerd dat niet in Nederland woonachtige personen tot deze coffeeshop waren toegelaten, heeft de burgemeester van Maastricht besloten de coffeeshop tijdelijk te laten sluiten. Josemans ging tegen deze beslissing in beroep.
Uitspraak Europees Hof
Tijdens de rechtszaak stonden twee vragen centraal. Allereerst de vraag of een coffeeshophouder zich voor de verkoop van cannabis op het vrij verkeer van diensten kan beroepen. Daarnaast ging het om de dranken en etenswaren die in de coffeeshop verkocht worden. Kan de coffeeshophouder zich in die context op de verkeersvrijheden beroepen? Voor de verkoop van cannabis kan een coffeeshophouder zich niet beroepen op het vrij verkeer van diensten of het beginsel van non-discriminatie. Cannabis valt onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod in alle lidstaten. Dat Nederland de handel gedoogt doet daar niet aan af.
Verkoop dranken en etenswaren
Volgens het Hof is de verkoop van alcoholvrije dranken en eetwaren in coffeeshops aan te merken als een horeca-activiteit. Hierdoor toets het Hof in dit geval wel aan het vrij verkeer van diensten. Het Hof stelt dat er sprake is van een beperking van de uitoefening van het vrije dienstenverkeer, voor zover de houders van coffeeshops geen legale producten mogen verkopen aan in andere lidstaten woonachtige personen en laatstgenoemden voor die diensten niet in aanmerking komen. Deze beperking wordt echter gerechtvaardigd door het doel om het drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast tegen te gaan. De beperking houdt verband met de handhaving van de openbare orde alsook met de bescherming van de gezondheid van de burgers, zowel op het niveau van de lidstaten als op dat van de Unie. Het weren van niet-ingezetenen is hiervoor een geschikt en evenredig middel, aldus het Hof. Als een Belgische of Franse toerist graag in Maastricht een kop koffie wil drinken, dan zijn daarvoor naast de coffeeshops nog vijfhonderd andere gelegenheden in de stad.

Definitie vrij verkeer van diensten
Een bekende zaak op het gebied van het vrij verkeer van diensten is Alpine Investments C-384/93. Een in Nederland gevestigd bedrijf, Alpine Investments, ging in Duitsland telefonisch producten verkopen. In Nederland was dit niet toegestaan vanwege wettelijke bepalingen. Het bedrijf beriep zich op het vrij verkeer van diensten. Het Hof was het eens met het feit dat er in dit geval een belemmering bestond, maar vond deze gerechtvaardigd. Het is bijzonder dat het Hof een belemmering ziet ondanks afwezigheid van discriminatie (het verbod geldt voor Nederlandse en buitenlandse bedrijven). De wettelijke bepalingen discrimineerden dus niet maar beperkten een bepaalde vorm van grensoverschrijdende handel. Door deze zaak werd de werking van Artikel 49 uitgebreid naar non-discriminatoire maatregelen

Beperking vier vrijheden
Uit de zaak Gebhard C-55/94 bleek dat 'nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, aan vier voorwaarden moeten voldoen: (1) zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, (2) zij moeten hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, (3) zij moeten geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en (4) zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel.' Hoewel de zaak Gebhard speelde op het terrein van het vrij verrichten van diensten/de vrijheid van vestiging, is de rechtvaardiging van Gebhard tot algemene norm verheven. Als lidstaten een van de vier vrijheden willen beperken, moeten zij zich aan de bovengenoemde regels houden. Dat betekent dat nationale maatregelen, die beperkend werken op een van de vier vrijheden, aan de vier eisen van Gebhard moeten voldoen alvorens zij eventueel geoorloofd kunnen zijn.

Recht op collectieve actie en het vrije dienstenverkeer

In de zaken Viking (C-348/05) en Laval (341/05) oordeelde het Hof van Justitie dat het recht op collectieve actie van vakbonden tegen het gebruikmaken van goedkope arbeid een fundamenteel recht is, maar indien zij een inbreuk opleveren op de fundamentele vrijheden (zoals vrij dienstenverkeer) zijn collectieve acties slechts toelaatbaar wanneer ze kunnen worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en daartoe noodzakelijk en proportioneel zijn.

De zaak Laval (341/05) draait om een aanbesteding voor een schoolgebouw in een Zweedse gemeente die werd gewonnen door een bedrijf uit Letland. Dit bedrijf betaalde conform het Zweedse minimumloon maar de vakbonden eisten dat ze volgens de Zweedse CAO loon betaalden.

In de zaak Viking (C-348/05) ging het om een veerboot tussen Finland en Estland van de Finse maatschappij Viking. Omdat de veerboot onder Finse vlag vaart zijn de Finse arbeidsvoorwaarden en de Finse CAO van toepassing. Wanneer de veerboot vanwege Estse concurrentie verlies draait overweegt Viking de veerboot voortaan onder Estse vlag te laten varen waardoor ook de Estse arbeidsvoorwaarden (lagere lonen) van toepassing zijn. De Finse vakbond FSU zoekt steun bij de International Transportworkers Federation (ITF) om ervoor te zorgen dat de vakbonden niet met Viking onderhandelen over een nieuw CAO.