Wat zijn staatsmiddelen?
Alleen die voordelen
die rechtstreeks of indirect door staatsmiddelen zijn bekostigd kunnen worden beschouwd als staatssteun. Als geen overdracht van staatsmiddelen heeft plaatsgevonden, is er van steun geen sprake. In de zaak
C-52, 54/97 Viscido oordeelde het Hof dan een nationale bepaling die een enkele onderneming vrijstelt van de inachtneming van de algemeen toepasselijke regeling over arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur, geen staatssteun is. Een dergelijke vrijstelling leidt immers niet tot een al dan niet rechtstreekse overdracht van staatsmiddelen aan die onderneming.
Maatregelen van administratieve of regulerende aard kunnen niet beschouwd worden als staatssteun. Een steunmaatregel moet immers een effect hebben op de begroting van de staat (de overheid). Dit blijkt uit de uitspraak van het Hof in de zaak
C-379/98 Preussen Elektra/ Schleswag (r.o. 58). Zo is bijvoorbeeld een wijziging van een bestemmingsplan door een gemeente of het afgeven van een vergunning door een gemeente of een provincie geen steunmaatregel, zelfs als deze handeling economische voordelen aan bepaalde ondernemingen oplevert. Een dergelijke maatregel heeft normaalgesproken geen effect op de begroting van de overheid.
Een zuivere voorbeeld van een administratieve handeling waarbij geen uit staatsmiddelen bekostigd voordeel uit voort komt, is de bestemmingplanwijziging door gemeente Madrid ten voordele van de voetbalclub Real Madrid. Zie hierover
het antwoord van de Commissie van 26 september 2002 op de vraag nr. P-2491/02 van een lid van het Europees Parlement.
Middelen die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de staat verplichte bijdragen, zoals de bijdragen voor werkloosheidsverzekering, en worden beheerd en verdeeld in overeenstemming met deze wetgeving zijn te beschouwen als staatsmiddelen, zelfs als zij beheerd worden door instellingen die los staan van de overheid (
173/73 Italiaanse Textielindustrie).
De aanname dat iets onderdeel is van de Staat en dat het dus om staatsmiddelen gaat, is niet altijd juist. In de uitspraak in de zaak
C-345/02 Pearle stelt het Hof dat voor zover een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) enkel de wil van het georganiseerde bedrijfsleven uitvoert en dat doet uitsluitend met de middelen van aangesloten ondernemingen, dat handelen niet toegerekend dient te worden aan de staat, en de middelen niet als staatsmiddelen moeten worden aangemerkt. Het Hof hanteert een aantal voorwaarden, met behulp waarvan zij vaststelt, dat de betrokken middelen geen staatsmiddelen zijn. Deze uitspraak is van belang voor projecten van gemeenten in het kader van het Europees Sociaal Fonds, zie
Agentschap SZW.
In principe
moet de steun ten laste komen van de overheid. Zo is bijvoorbeeld het bepalen van een minimumprijs voor een product of dienst geen staatssteun omdat de prijs door de overheid is vastgesteld maar ten laste van de gebruikers komt (
82/77 Van Tiggele).
Volgens het Hof was een bijzondere arbeidsvoorwaardenregeling zoals toegepast in
C-72/91 Sloman Neptun geen staatssteun. Volgens deze regeling met betrekking tot het Internationaal Zeeschepenregister van Duitsland, konden zeelieden uit derde landen aan arbeidsvoorwaarden worden onderworpen waarop het Duitse recht niet van toepassing was. Deze arbeidsvoorwaarden en beloning waren aanmerkelijk ongunstiger dan die voor zeelieden die onderdaan waren van Duitsland. Volgens vakbonden betrof deze regeling staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1 van het Verdrag. Het Hof stelde echter dat de regeling, door haar strekking en algemene structuur, geen voordeel beoogde te verschaffen dat voor de staat een extra last meebracht. Kortom, de bijkomende inkomensderving van de staat was een gevolg van de aard van deze regeling. Zij vormde geen extra last voor de staat of voor door de staat aangewezen of opgerichte openbare of particuliere lichamen.
Bij staatsmiddelen dient er sprake te zijn van
daadwerkelijk en constant beschikbare gelden: alle geldelijke middelen die de openbare sector kan gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of deze middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van die sector of constant onder openbaar toezicht staan (
T-358/94 Air France,
C-83/98 Ladbroke Racing).
Als de staat zijn inkomsten, zoals leges of belastingen,
misloopt om zo een bedrijf te laten profiteren, kan er sprake zijn van staatsmiddelen die als steun beschikbaar worden gesteld. Andere voorbeelden van 'misgelopen inkomsten' zijn niet geïnde schulden om een bedrijf voort te laten bestaan (de zaak
C-200/97 Ecotrade), verlaagde belastingen of tarieven (
67,68,70/85 Van der Kooij/ Commissie), een belastingvrijstelling of een niet marktconforme betaling voor een dienst of een product.