Voor de verenigbaarheid van staatssteun aan de deelsectoren binnen de vervoersector gelden verschillende grondslagen. Voor openbaar vervoer is voornamelijk de speciale vervoersbepaling uit het EU-Werkingsverdrag van belang. Artikel 93 VWEU (voorheen artikel 73 VEG) bepaalt dat steunmaatregelen toelaatbaar zijn indien zij 'beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer' of indien zij 'overeenkomen met de vergoedingen van bepaalde met het begrip openbare dienst verbonden dienstverrichtingen'. De bepalingen van dit artikel zijn uitgewerkt in:
Verordening (EEG) nr. 1107/70 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (
gewijzigd in 1997); deze verordening geeft uitwerking aan het begrip 'beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer' en is van toepassing op intermodaal en gecombineerd (goederen)vervoer.
Verordening (EEG) nr. 1191/69 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (
gewijzigd in 1991); deze verordening geeft uitwerking aan het begrip 'overeenkomen met de vergoedingen van bepaalde met het begrip openbare dienst verbonden dienstverrichtingen' en is van toepassing op openbaar (personen)vervoer.
Nationaal niveau
Op nationaal niveau zijn compensaties voor het verrichten van openbaar vervoer geregeld in de
Wet BDU verkeer en vervoer. In deze wet worden de verlening, de berekening en de verantwoording van de brede doeluitkeringen beschreven; het een en ander is nog verder uitgewerkt in het
Besluit BDU verkeer en vervoer.
In de Wet Personenvervoer 2000 worden de concessieverleners bevoegd verklaard om subsidies te verstrekken voor het openbaar vervoer dat op grond van de concessie wordt verricht.