Artikel 34 VWEU (voormalig art. 28 EG-Verdrag) verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten. Deze maatregelen zijn verboden tenzij ze gerechtvaardigd zijn uit hoofde van artikel 36 VWEU (voormalig art. 30 EG).
Kwantitatieve beperkingen
Kwantitatieve beperkingen zijn beperkingen van de invoer of uitvoer naar hoeveelheid of naar waarde (contingentering)
Maatregelen van gelijke werking
Een maatregel van gelijke werking is veel ruimer dan een kwantitatieve beperking. In het arrest
Dassonville zette het Europese Hof van Justitie uiteen wat onder maatregelen van gelijke werking wordt verstaan. Zij oordeelde in dit arrest dat iedere overheidsmaatregel die direct of indirect, daadwerkelijk of potentieel het intracommunautaire handelsverkeer kan belemmeren, als maatregel van gelijke werking te beschouwen is. Het beslissende criterium voor de beoordeling van een maatregel is of deze een invoerbelemmerend effect
kan hebben. Een ondernemer hoeft dus niet te bewijzen dat er daadwerkelijk sprake is van een belemmering.
Maatregelen met – en zonder onderscheid
Onder het begrip ‘maatregelen van gelijke werking’ vallen zowel maatregelen die een onderscheid maken tussen ingevoerde als nationale producten (bijvoorbeeld een invoervergunning) als ook maatregelen die zonder onderscheid (bijvoorbeeld samenstellings- en verpakkingsvoorschriften) tussen producten toegepast worden. Dat onder het begrip ook maatregelen die zonder onderscheid toegepast worden vallen blijkt uit het arrest
Cassis de Dijon.Uit dergelijke maatregelen kunnen immers ook ernstige handelsbelemmeringen voortvloeien.
Maatregelen omvatten handelen en nalaten
Uit de rechtspraak o.a. in de
Spaanse aardbeienzaak, blijkt dat het bij artikel 34 VWEU (voormalig art. 28 EG) niet alleen gaat om handelingen in positieve zin, maar ook om nalatigheid van de overheid om door particulieren opgeworpen belemmeringen weg te nemen. Als voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan gevallen waarin door particulier gedrag de invoer of doorvoer van goederen wordt belemmerd en de overheid zich afzijdig houdt. Dezelfde materia kwam ook in de
zaak Smidberger aan de orde.
Beginsel van wederzijdse erkenning
Dat ook maatregelen zonder onderscheid door het verbod van artikel 34 VWEU geraakt worden heeft niet tot gevolg dat deze nationale wetgeving als zodanig verboden is. Dan zou immers het algemeen belang met het oog waarop deze regels zijn uitgevaardigd (bijvoorbeeld verpakkingsvoorschriften voor gevaarlijke producten) niet meer beschermd zijn. Het gevolg van het verbod van artikel 21 VWEU (voormalig art. 18 EG) is wel dat deze regels niet of niet zonder meer kunnen worden toegepast op ingevoerde goederen. Er geldt namelijk (zoals het Hof ook oordeelde in Cassis de Dijon) een verplichting ten aanzien van het invoerland om rekening te houden met de wetgeving van het oorsprongsland. Is bijvoorbeeld in het oorsprongsland het consumentenbelang reeds beschermd, dan is het niet noodzakelijk en dus niet toegestaan dat de wetgeving van het invoerland nog en wordt toegepast om hetzelfde belang te beschermen. De lidstaten moeten elkaars wetgeving in beginsel dus als gelijkwaardig beschouwen. De consequentie van dit beginsel is dat ingevoerde producten in het land van bestemming niet op dezelfde wijze mogen worden behandeld als nationale producten. Zij moeten juist ongelijk worden behandeld doordat rekening gehouden moet worden met de wetgeving van het land van oorsprong. Wat deze andere behandeling inhoudt verschilt van geval tot geval. De algemene regel daarbij is het proportionaliteitsbeginsel: alleen datgene wat noodzakelijk en geschikt is om het betrokken belang in het invoerland te beschermen is toegestaan. Het is bijvoorbeeld in het geval van alcoholhoudende drank die qua percentage niet voldoet aan de eisen van het invoerland, wel toegestaan om te eisen dat op het etiket de samenstelling van het product is aangegeven, zodat de consument daar kennis van kan nemen.
Beperking van Cassis de Dijon: Keck en Mithouard
Zoals uit het bovenstaande is gebleken, wordt het begrip ‘maatregel van gelijke werking’ als gevolg van het arrest Cassis de Dijon zeer breed uitgelegd. In de loop der tijd kwam dan ook de vraag op of de werkingssfeer van het verbod van artikel 34 VWEU daardoor niet te ruim werd. In een aantal zaken heeft het Hof daarom de ‘Cassis de Dijon leer’ niet van toepassing geacht. Een belangrijk arrest in deze context is het
Keck en Mithouard-arrest over regels betreffende “verkoopmodaliteiten” (in dit geval een voorschrift dat de verkoop van goederen onder hun inkoopprijs verbiedt). Het Hof besliste in deze zaak dat de ‘Cassis de Dijon-leer’ wel volledig van toepassing is op producteisen (de regels waaraan producten moeten voldoen zoals samenstelling, vorm, gewicht, verpakking e.d.), maar niet op verkoopmodaliteiten. De regels over “verkoopmodaliteiten” betreffen namelijk niet de goederen zelf, maar externe aspecten zoals wanneer, waar, door wie, en tegen welke prijs de goederen mogen worden verkocht. Naast voorschriften die de verkoop van goederen onder de inkoopprijs verbieden, omvatten regels inzake verkoopmodaliteiten ook reclamebeperkingen, verplichte sluitingsuren voor winkels, en het beperken van de verkoop van bepaalde goederen tot bepaalde winkels. Uit Keck kan dus worden geconcludeerd dat regels betreffende verkoopmodaliteiten, zonder onderscheid toepasbaar op binnenlandse en ingevoerde goederen, niet onder artikel 34 VWEU vallen.
Soorten maatregelen van gelijke werking:
- invoervergunningen;
- verplichting tot het overleggen van certificaten;
- inspecties en controles;
- boetes en sancties;
- krediet- en betalingsvoorwaarden;
- verplichtingen tot het aanstellen van een vertegenwoordiger op het grondgebied van de lidstaat van invoer;
- verplichting tot het hebben van opslagvoorzieningen in de lidstaat van invoer;
- prijsreglementering of prijsbeheersing door de lidstaten;
- vergoeding voor farmaceutische producten;
- verplichting tot het afgeven van een verklaring van oorsprong;
- aansporing tot het kopen van binnenlandse producten;
- verplichting tot het gebruik van de nationale taal;
- onrechtmatig voorbehoud van benamingen die geen oorsprong of herkomst aanduiden;
- onrechtmatige beperking van het gebruik van generieke benamingen;
- parallelle invoer;
- technische voorschriften voor de presentatie van goederen (gewicht, samenstelling, etikettering, vorm, afmetingen, verpakking);
- artikel 34 van het EU-werkingsverdrag en steunmaatregelen van staten;
- discriminatie bij overheidsopdrachten voor leveringen en
- vergunningenstelsel