Om concurrentievervalsing als gevolg van de financiering van DAEB door de overheid te voorkomen, dienen (decentrale) overheden rekening te houden met de staatssteunregels. Het beleid van de Commissie met betrekking tot de financiering van DAEB en staatssteun is, kort samengevat, als volgt: de overheid mag een onderneming een vergoeding verlenen voor zover het een compensatie is voor het verrichten van DAEB, die de overheid aan deze onderneming heeft opgedragen. Om verenigbaarheid met het EG-Verdrag te waarborgen en ongeoorloofde staatssteun te voorkomen, dient deze compensatie aan een aantal strikte voorwaarden te voldoen. Onder meer gaat het om het voorkomen van overcompensatie. Het staat immers vast dat overcompensatie staatssteun is die onder de toepassing van artikel 107 VWEU valt.
Wet- en regelgeving
Naar aanleiding van het Groenboek en het Witboek voor DAB en het Altmark-arrest (
C-280/00) over openbare dienstverplichtingen heeft de Europese Commissie getracht meer rechtszekerheid te scheppen over de beginselen die gelden wanneer overheden compensaties toekennen aan ondernemingen die DAEB verrichten. Op 15 juli 2005 heeft de Commissie een pakket maatregelen (een vrijstellingsbeschikking, een kaderregeling en een wijziging van de Transparantierichtlijn) aangenomen. De
vrijstellingsbeschikking bepaalt onder welke voorwaarden compensaties voor ondernemingen die belast zijn met een DAEB verenigbaar zijn met de staatssteunregels en niet hoeven te worden aangemeld bij de Commissie. De beschikking is op 19 december 2005 in werking getreden. De
kaderregeling is van toepassing op DAEB die niet onder de beschikking vallen. Deze kaderregeling is onmiddellijk na de publicatie in werking getreden, en geldt zes jaar.
Daarnaast is er een richtlijn vastgesteld tot wijziging van de Transparantierichtlijn, waardoor ondernemingen die naast het verrichten van een DAEB ook actief zijn op andere markten, voor een gescheiden boekhouding moeten zorgen. Deze verplichting geldt nu ongeacht het feit of de vergoeding die de ondernemingen voor het verrichten van een DAEB ontvangen, wel of niet als staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU kan worden gezien. Deze verplichting dient concurrentievervalsing door kruislingse subsidiëring - het inzetten van de compensaties voor DAEB voor de financiering van de andere activiteiten - tegen te gaan. De richtlijn is op 19 december 2005 in werking getreden.
en moest op 19 december 2006 in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn geïmplementeerd.
Meer informatie over dit pakket is hiernaast opgenomen.
Drietrapsraket
De Commissie construeert met deze bepalingen voor de beoordeling van steun aan diensten van algemeen belang een drietrapsraket, met het Altmark-arrest (C-280/00) als basis.
1. Als de financiering voldoet aan de criteria van Altmark is er sprake van compensatie en niet van staatssteun, en hoeft niet te worden aangemeld.
2. Als de financiering niet voldoet aan Altmark is er sprake van staatssteun, maar als deze valt onder de vrijstelling voor 'kleine diensten', hoeft evenmin te worden aangemeld.
3. Als de financiering niet voldoet aan Altmark, en niet valt onder de vrijstelling, dan is er sprake van staatssteun die moet worden aangemeld. Als deze echter voldoet aan de criteria van de kadermaatregel voor 'grote diensten', kan die steun onder de vrijstelling van artikel 86 lid 2 vallen. |
Standpunten belangenorganisaties decentrale overheden
Brief VNG aan eurocommissaris Kroes (17 maart 2005), een pleidooi voor de verruiming van de vrijstelling.
Oproep CEMR (7 juli 2005) voor verdubbeling van de drempels voor vrijstelling.
Meer informatie
Services of General Economic Interest. Opinion Prepared by the State Aid Group of EAGCP (29 juni 2006).
In dit standpunt worden de voorwaarden voor het functioneren van de DAEB in het licht van de staatssteunregels besproken.