HomeDossiersVrij verkeerPersonenFamilieleden

Vrij verkeer

Voorpagina Personen Diensten Goederen Kapitaal Praktijk Info&Service
 

Familieleden

07-03-2011
Wetgeving vrij verkeer werknemers
Wetgeving

Op 29 april 2004 is Richtlijn 2004/38/EG in werking getreden. De richtlijn gaat over het recht op vrij reizen en vrije vestiging van de Unieburgers en hun familieleden op het grondgebied van de lidstaten. De richtlijn heeft als doel het vrije verkeer binnen de EU te vergemakkelijken door het beperken van administratieve formaliteiten tot het noodzakelijke. In deze richtlijn is de status van familieleden van Europese burgers gedefinieerd. Vooral gemeentelijke afdelingen burgerzaken hebben veel te maken met deze richtlijn, maar ook indirect hebben provincies en gemeenten ermee te maken, bijvoorbeeld in hun rol als werkgever.

 

Het discriminatieverbod en het recht op vrij reizen en verblijven (art. 18 en 21 VWEU, voormalig art. 12 en 18 EG) vormen de rechtsgrond van de richtlijn. Door deze Richtlijn zijn Artikelen 10 en 11 van de Verordening 1612/68 vervallen. Na inwerkingtreding van de Richtlijn 2004/38/EG zijn de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG met ingang van 30 april 2006 ingetrokken. 29-01-2009


Verordening nr. 1612/68 gaat over de algemene beginselen van het vrij verkeer van werknemers (gewijzigd door de Verordening nr. 2434/92). De werknemer heeft op basis van de verordening dezelfde sociale en fiscale voordelen en toegang tot onderwijs als eigen onderdanen. In de verordening wordt veel aandacht besteed aan de rechten van familieleden. Zij hebben recht op vestiging en arbeid in loondienst en hun kinderen hebben recht op toegang tot onderwijs. Hun rechten zijn afgeleid van de rechten van de werknemer. Deze verordening is met name van belang voor de gemeentelijke afdelingen burgerzaken bij afgifte of wijziging van verblijfsdocumenten.

Richtlijn nr. 77/486/EEG heeft te maken met het onderwijs aan de kinderen van migrerende werknemers. Volgens deze Richtlijn hebben de kinderen van migrerende werknemers, los van hun verblijfsrecht, dezelfde rechten op onderwijs als onderdanen van het gastland.

In 2010 heeft de Euroepse Commissie een mededeling gepubliceerd over het vrij verkeer van werknemers om al het relevante beleid op dit gebied, inclusief ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak in een document te verzamelen. Het doel van de mededeling is om een overzicht te verschaffen van de rechten die Unie-burgers aan het vrij verkeer van werknemers kunnen ontlenen. De mededeling geeft daarnaast ook inzicht in de verplichtingen die bestaan op dit terrein. Er wordt onder andere ingegaan op het verstrekken van sociale en financiele voordelen, de toegang van migrerende werknemers tot betrekkingen in de publieke sector, diploma-erkenning en het stellen van taaleisen aan werknemers. COM (2010) 373, van 13 juli 2010.

23-12-2009
Vrij verkeer werknemers jurisprudentie familieleden
Jurisprudentie werknemers en hun familieleden
De rechten van gezinsleden van een EU-werknemer in een ander lidstaat zijn afgeleid van de rechten van de werknemer zelf (Verordening nr. 1612/68). Deze rechten komen ook toe aan gezinsleden die geen onderdaan van de EU zijn. Een familielid van een EU-werknemer, die arbeid in loondienst mag verrichten, behoudt zijn rechten zolang de werknemer zelf zijn status als werknemer behoudt. Een echtscheiding van de werknemer van zijn of haar partner leidt in principe ertoe dat de rechten van de echtegeno(o)t(e) ophouden (zaak 267/83 Diatta). Richtlijn 2004/38/EG geeft een verdere verduidelijking van de positie van familieleden. Zie ook zaken C-413/99 Baumbast en C-60/00 Carpenter. Wat betreft verblijfsrechten van de familieleden/ derdelanders, zie arrest C-109/01 Akrich en arrest C-127/08 Metock.

Sociale voordelen waar een werknemer uit een ander lidstaat aanspraak op kan maken (Verordening nr. 1612/68, artikel 7), komen ook toe aan het gezin. Zo kan bijvoorbeeld een zoon van een werknemer aanspraak maken op deze rechten (zoals een uitkering voor een minder valide), omdat anders de werknemer zelf niet in staat zou zijn om in een ander lidstaat te werken (zaak 63/76 Inzirillo).
Kinderen van migrerende werknemers, ongeacht hun nationaliteit, hebben in de ontvangende lidstaat recht op onderwijs onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van dat land. Dit omvat onder meer het recht op gelijke behandeling inzake studiebeurzen ten opzichte van kinderen van eigen onderdanen (zaak 9/74 Casagrande). Hetzelfde onderwerp wordt behandeld in de gevoegde Nederlandse zaken 389/87 en 390/87 Echternach en Moritz.