HomeDossiersVrij verkeerPersonenBeperkingen migratierechten

Vrij verkeer

Voorpagina Personen Diensten Goederen Kapitaal Praktijk Info&Service
 

Beperkingen migratierechten

24-03-2007
Vrij verkeer Beperkingen migratierechten
Beperkingen migratierechten
Een lidstaat mag een beperking van het vrije verkeer van personen en hun recht op vrije vestiging rechtvaardigen door overwegingen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Deze redenen worden nauw geïnterpreteerd en mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden. Zie Richtlijn 2004/38/EG.
11-01-2010
Jurisprudentie beperkingen vrij verkeer werknemers en vestiging
Jurisprudentie beperkingen vrij verkeer werknemers en vrijheid van vestiging
In principe mag de overheid het vrije verkeer niet belemmeren en discriminerende beperkingen zijn verboden. Maar in bepaalde gevallen kan een beperkende maatregel worden gerechtvaardigd op basis van excepties in het Verdrag (stap 1). Als de verdragsartikelen niet toegepast kunnen worden, kan men terugvallen op jurisprudentiële excepties (stap 2). Deze excepties zijn alleen van toepassing op maatregelen zonder onderscheid. Een maatregel kan worden toegestaan als hij gerechtvaardigd en proportioneel is. Zo moet per geval een evenredigheidstest worden gedaan. Hiervoor zijn geen eenduidige richtsnoeren beschikbaar (zaak C-55/94 Gebhard).

(stap 1) Op basis van het EU-Werkingsverdrag kan het vrij verkeer van werknemers worden beperkt waar het een betrekking in overheidsdienst betreft (artikel 45 lid 4 VWEU, voormalig art. 39 lid 4 EG). Ook het recht op vrije vestiging kent een dergelijke beperking: deze betreft werkzaamheden ter uitoefening van openbaar gezag (artikel 51 VWEU, voormalig art. 45 EG). De jurisprudentie over betrekkingen in overheidsdienst is van toepassing zowel op het vrije verkeer van werknemers als op vestiging (zie verder Publieke sector (overheidsdienst)).

(stap 2) In principe geldt een discriminatieverbod in het vrije verkeer van personen, tenzij de maatregel gerechtvaardigd en proportioneel is. Zo kan bijvoorbeeld het stellen van een taaleis voor de uitoefening van een bepaalde functie eventueel gerechtvaardigd zijn op basis van een legitieme doelstelling. In de zaak 379/87 Groener besliste het Hof dat de Ierse wet die bepaalde dat onderwijsgevenden alleen een vaste aanstelling konden krijgen indien ze de eerste officiële taal van Ierland, het Gaelic, in voldoende mate beheersen, gerechtvaardigd was. Een taalvereiste mag echter niet worden gebruikt om werknemers uit andere lidstaten te weren.

Werkgevers in de private en de publieke sector mogen van een sollicitant een bepaald niveau van talenkennis eisen, maar mogen niet slechts één bepaalde kwalificatie, zoals een specifiek diploma, als bewijs verlangen (zaak C-281/98 Angonese).
De bescherming van een etnisch-culturele minderheid kan volgens het Hof een legitieme doelstelling zijn voor het gebruik van discriminerende vereisten in een regeling van taalgebruik. (Zaak C-274/96 Bickel en Franz).

De vrijheid van vestiging kent een beperking (artikel 52 VWEU, voormalig art. 46 EG) wat betreft de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in de staat. Deze uitzondering moet strikt noodzakelijk zijn om belangen van de lidstaat te beschermen. Zo heeft het Hof in het arrest 2/74 Reyners bepaald dat de uitzondering beperkt is tot die werkzaamheden die op zichzelf een rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag meebrengen. De Belgische wet die alleen Belgen toeliet tot het beroep van advocaat, waardoor een Nederlandse advocaat werd uitgesloten, kon deze toets niet doorstaan.

De zaak 168/91 Konstantinidis is van belang voor Burgerzaken. In deze zaak kon een Griekse onderdaan, een zelfstandig masseur, zich in Duitsland alleen in het register van de burgerlijke stand inschrijven op een wijze die niet in overeenstemming was met de fonetische omschrijving van zijn naam. Het Hof oordeelde dat een lidstaat vrij is om de schrijfwijze van de naam vast te stellen. Maar er is sprake van strijdigheid met artikel 49 VWEU (voormalig art. 43 EG) als de onderdaan van de andere lidstaat daardoor zijn recht van vestiging de facto niet vrij kan uitoefenen. In dit geval verplichtte de wetgeving van de staat van vestiging een Grieks onderdaan om bij de uitoefening van zijn beroep een schrijfwijze van zijn naam te gebruiken zoals ingeschreven in de burgerlijke stand. Volgens Konstantinidis zou de verkeerde schrijfwijze zijn potentiële klanten in verwarring brengen.