In de Richtlijn zijn omschrijvingen van delicten opgenomen,
terwijl dit hiervoor was voorbehouden aan nationale wetgevers. Hierdoor kan
deze Richtlijn een precedent vormen voor toekomstige communautaire –
gemeenschappelijke – strafwetgeving. Een voorbeeld van een delict zoals
opgenomen in de Richtlijn is ‘het lozen, uitstoten of anderszins brengen van
een hoeveelheid materie of ioniserende straling in de lucht, de grond of het
water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke
schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten
wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt’.
Andere voorbeelden van delicten zijn het brengen van ioniserende straling in de lucht, de grond of het water; het onzorgvuldig inzamelen, vervoeren, hergebruiken of verwijderen van afvalstoffen; het onzorgvuldig overbrengen van afvalstoffen; het exploiteren van een bedrijf waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of gebruikt en het produceren, bewerken, hanteren, gebruiken, voorhanden hebben, opslaan, vervoeren, in- en uitvoeren en verwijderen van kernmateriaal of andere gevaarlijke radioactieve stoffen.
Juridische achtergrond
Deze Richtlijn vult de leemte op die was ontstaan na de
nietigverklaring van het kaderbesluit 2003/80/JBZ over de bescherming van het
milieu met behulp van het strafrecht. Dit was het gevolg van een proces tussen
de Raad en de Commissie waarvan de uitspraak baanbrekend was. Het Hof oordeelde
hierin dat het kaderbesluit niet op grond van de zogenoemde derde pijler –
Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken (PJSS) – mocht worden
aangenomen. Het doel en de inhoud van het kaderbesluit vielen volgens het Hof
onder communautaire bevoegdheden op het gebied van milieu (de eerste pijler).
Hiermee kreeg de Commissie gelijk en werd de mogelijkheid gecreëerd om
strafrechtelijke maatregelen op te nemen in communautaire richtlijnen.