Decentrale overheden hebben in grote mate te maken met beleid over luchtkwaliteit. Tijdens het Europese wetgevingsproces hebben de Nederlandse koepelorganisaties van gemeenten en provincies zich actief bezig gehouden met de vaststelling van voor Nederland haalbare normen. Nederland heeft tot 2015 de tijd om de Europese normen voor stikstofdioxide (NO2) en tot 2011 om de normen voor fijn stof (PM10) te halen. Dit is te danken aan het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, dat is ingediend bij de Europese Commissie om derogatie – uitstel – te krijgen. Nederland heeft daarin voldoende bewezen dat alles zal worden gedaan om de normen binnen de bepaalde tijd te halen.
Europese Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit
Op 11 juni 2008 is de Richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, ook wel de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit genoemd, gepubliceerd in het publicatieblad van de EU (PbEU L 152/1, 2008/50/EG) en daarmee in werking getreden. Vóór 11 juni 2010 dient de richtlijn in alle lidstaten te zijn omgezet in nationale wetgeving. In Nederland is deze richtlijn omgezet middels een wijziging van de Wet milieubeheer. Het
Besluit hiertoe is op van 26 juni 2009 gepubliceerd in het Staatsblad.
De Europese richtlijn leidt tot meer armslag voor Nederland door een mate van flexibiliteit bij het voldoen aan de gestelde eisen. Er wordt in deze richtlijn wel vastgehouden aan strenge grenswaarden voor fijn stof (PM 2.5 en PM 10). In 2020 moet de luchtkwaliteit in de gehele Europese Unie verbeterd zijn. De Richtlijn heeft tot doel ervoor te zorgen dat de lucht in de
lidstaten aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet. De normen, ook wel
grenswaarden genoemd, voor maximale concentraties van bepaalde
verontreinigende stoffen staan in zogenaamde ‘dochterrichtlijnen’. Het Besluit luchtkwaliteit bepaalt dat gemeenten en provincies de
lokale luchtkwaliteit in kaart moeten brengen en daarover moeten
rapporteren in luchtkwaliteitsplannen. Als grenswaarden uit het besluit
zijn of dreigen te worden overschreden, moeten maatregelen worden
getroffen. Normen zijn vastgelegd voor de volgende stoffen: zwavel- en
stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en fijn stof (eerste
dochterrichtlijn), benzeen en koolmonoxide (tweede dochterrichtlijn),
ozon (derde dochterrichtlijn) en zware metalen (vierde
dochterrichtlijn).
De nieuwe Richtlijn is onderdeel van de ‘thematische strategie inzake luchtverontreiniging’ van 21 september 2005. Deze strategie omvat doelstellingen op het gebied van luchtverontreiniging en stelt maatregelen voor om deze tegen het jaar 2020 te verwezenlijken: de bestaande wetgeving moderniseren, focussen op de schadelijkste verontreinigende stoffen en een groter beroep doen op de sectoren en beleidslijnen die de luchtverontreiniging kunnen beïnvloeden. Het doel van de strategie is het tot stand brengen van luchtkwaliteitsniveaus ‘die geen significante negatieve effecten en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu tot gevolg hebben’ en is een aanvulling op de geldende wetgeving aan (zie hierover de paragraaf ‘geldende wetgeving’). De strategie inzake luchtverontreiniging is één van de zeven thematische strategieën die centraal staan in het zesde Milieuprogramma uit 2002. De thematische strategie voor luchtverontreiniging is het resultaat van onderzoek in het kader van het programma ‘Schone lucht voor Europa’ (Clean Air For Europe (CAFE)) en is als eerste van de zeven geplande strategieën aangenomen.