Het Europese mededingingsrecht bestaat primair uit verbodsbepalingen gericht op mededingingsbeperkende afspraken tussen- en onderling afgestemde gedragingen van ondernemingen en op het tegengaan van misbruik van economische machtsposities. De Europese mededingingsregels in artikel 101, 102 en 106 van het van het Verdrag betreffende de werking van de EU lijken in eerste instantie vooral gericht op ondernemingen in de lidstaten. Decentrale overheden kunnen echter met de mededingingsregels geconfronteerd worden omdat zij soms zelf als
onderneming optreden (denk bijvoorbeeld aan een gemeente die een jachthaven exploiteert of grond in erfpacht uitgeeft, een provincie die adviesdiensten aanbiedt of een waterschap dat participeert in een overheidsbedrijf of een stichting gericht op publiek-private samenwerking).
Daarnaast stellen niet alleen centrale, maar ook decentrale overheden regels op. Vanuit die regels kan invloed uitgaan naar het gedrag van ondernemingen die optreden op de markt. Denk bijvoorbeeld aan het opleggen van vergunningsvereisten of het verlenen van exclusieve rechten door decentrale overheden aan marktpartijen. Het is van belang dat overheden zich bij het opstellen van die regelgeving realiseren dat dit niet tot gedrag van ondernemingen zal (kunnen) leiden dat in strijd is met het Europese mededingingsrecht (en in steeds belangrijker mate- nationaal mededingingsrecht).
Het Europese mededingingsdossier bevat grote overlap met andere beleidsdossiers, zoals staatssteun, diensten van algemeen (economisch) belang, aanbesteding en de dienstenrichtlijn. Het is dan ook raadzaam de inhoud van dit dossier altijd in samenhang met die andere dossiers te bezien. Waar relevant, zijn in dit dossier de directe links met de andere genoemde beleidsdossiers opgenomen in de tekst.