Onder de Dienstenrichtlijn (art. 11) en Dienstenwet (art. 33) wordt een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd gegeven. De Europese Commissie is namelijk van mening dat een beperkte geldigheidsduur van vergunningen de uitoefening van dienstenactiviteiten verhindert. Dienstverleners kunnen geen grote investeringen en langetermijnstrategieën ontwikkelen, omdat ze bij een beperkte geldigheidsduur kampen met onzekerheid.
Hoewel decentrale overheden een vergunning altijd kunnen intrekken wanneer een dienstverlener niet (meer) aan de voorwaarden voldoet (overweging 55 Dienstenrichtlijn), laat de Commissie het bij een aantal specifieke gevallen toe om een vergunning voor beperkte duur te verlenen. Belangrijk daarbij is wel dat decentrale overheden deze beperkte duur kunnen rechtvaardigen en motiveren.
Artikel 11 lid 1 van de Dienstenrichtlijn stelt: Een aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar:
a) De vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
b) Het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; of
c) Een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang
Artikel 11 lid 1 heeft uitsluitend op die situaties betrekking waarbij de bevoegde instantie in beginsel ook de mogelijkheid heeft de geldigheidsduur van een vergunning voor onbepaalde tijd vast te stellen. Verder laat artikel 11 de mogelijkheid van lidstaten om vergunningen in te trekken wanneer niet meer aan de vergunningvoorwaarden wordt voldaan onverlet (art. 11 lid 4 Dienstenrichtlijn)
Toelichting a
De uitzondering onder a gaat uit van een situatie waarin de vergunning formeel een beperkte geldigheidsduur kent, maar verlenging automatisch plaatsvindt. Aan verlenging zijn geen andere of nieuwe voorwaarden verbonden dan die reeds gedurende de looptijd van de vergunning golden. De vergunninghouder hoeft geen specifieke actie te ondernemen richting een bevoegde instantie om er voor te zorgen dat verlenging plaatsvindt. Indien een vergunning voor bepaalde duur is verleend en verlenging daarvan van rechtswege plaatsvindt, is er sprake van automatische verlenging zoals hier bedoeld.
Toelichting b
De in artikel 11 eerste lid, onder b, bedoelde uitzonderingsgrond houdt in dat een beperkte geldigheidsduur is toegestaan, indien het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang. Daarvan zal sprake zijn indien de bescherming van een dwingende reden van algemeen belang tot gevolg heeft dat het aantal te verkrijgen vergunningen op een specifiek terrein beperkt moet worden. Als gevolg van publiekrechtelijk handelen kan dan schaarste aan deze vergunningen ontstaan. Schaarste is daarbij geen doel op zich, maar een gevolg dat optreedt door het veilig stellen van een dwingende reden van algemeen belang. Het stellen van een beperkte geldigheidsduur kan een geschikt middel zijn om te waarborgen dat op gezette tijden ook anderen dan bestaande vergunninghouders de kans krijgen om de onder die vergunning vallende diensten te mogen verrichten.
Bij dit laatste gaat het wel om een beperking als gevolg van een dwingende reden van algemeen belang, bijvoorbeeld bescherming van de volksgezondheid. Weliswaar worden de vergunningen in aantal dan schaars, maar dit moet niet worden verward met het verlenen van een beperkt aantal vergunningen door schaarste van beschikbare hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden (art. 12 Dienstenrichtlijn en art. 33, lid 4 sub b en lid 5, Dienstenwet). Ondanks dat decentrale overheden nauwelijks te maken hebben met schaarse vergunningen, mogen deze vergunningen enkel voor beperkte duur worden verleend en niet automatisch worden verlengd.
Toelichting c
Bij de in artikel 11 eerste lid, onder c, bedoelde uitzonderingsgrond is de beperking in geldigheidsduur van een vergunning een middel en geen gevolg om een dwingende reden van algemeen belang te waarborgen. Bij de beoordeling of op grond hiervan een beperking in de geldigheidsduur is toegestaan, zal ook met de evenredigheid van de maatregel rekening moeten worden gehouden. Indien met andere, minder vergaande stappen hetzelfde doel kan worden bereikt, zal een beperking niet toegestaan zijn.
De Dienstenwet
Artikel 11 Dienstenrichtlijn is omgezet is artikel 33 Dienstenwet. In lid 1 van artikel 33 zijn de drie uitzonderingen terug te vinden. In lid 2 van artikel 33 Dienstenwet gaat het om de situatie waarin de vergunning geen concrete einddatum bevat waarop de geldigheid afloopt, maar waarbij de looptijd afhankelijk is van het voldoen aan een voorwaarde waarvan het voortduren van de vergunning afhankelijk is. Zolang die voorwaarde vervuld wordt, blijft de vergunning voortduren. De vergunning heeft niet een vooraf vastgestelde tijdsduur, zodat verlenging daarvan niet aan de orde is. De richtlijn kwalificeert dit soort vergunningen als van beperkte geldigheidsduur.
Artikel 33 derde lid betreft een omzetting van artikel 11, tweede lid, van de richtlijn. Dit artikellid verheft boven iedere twijfel dat het tijdstip waarop een dienstverrichter met activiteiten dient te beginnen buiten de reikwijdte van artikel 33, eerste en tweede lid, valt. Het vierde lid, onderdeel a, bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op vergunningen die naar hun aard beperkt zijn in de tijd, zoals een vergunning voor een specifiek evenement op een bepaalde dag. Het gaat hierbij uitsluitend om vergunningen die hoe dan ook een tijdelijke duur moeten hebben, omdat bijvoorbeeld de dienst inherent slechts van beperkte duur kan zijn of de feitelijke context waaronder deze vergunning wordt verleend na een afgebakend en voorspelbaar tijdsverloop zodanig wijzigt dat de vergunning zijn functie verliest.