HomeDossiersDienstenrichtlijnVergunningstelsels en eisengeldigheidsduur vergunning

Dienstenrichtlijn

Voorpagina Diensten Vergunningstelsels en eisen Notificatie Dienstenloket Administratieve samenwerking Praktijk Info&Service
 

geldigheidsduur vergunning

13-02-2012
Geldigheidsduur vergunning
Vergunningen voor onbepaalde tijd
Decentrale overheden dienen vergunningen die vallen onder de Dienstenrichtlijn in principe voor onbepaalde tijd te verstrekken. Dit staat in art. 11 Dienstenrichtlijn en art. 33 Dienstenwet. De reden daarvan is dat een beperkte geldigheidsduur van vergunningen de uitoefening van dienstenactiviteiten verhindert. Dienstverleners kunnen geen grote investeringen doen of langetermijnstrategieën ontwikkelen. De overheid kan echter een vergunning intrekken als een dienstverlener niet (meer) aan bepaalde voorwaarden voldoet (overweging 55 Dienstenrichtlijn).

Vergunning voor beperkte duur
Er is een aantal uitzonderingen mogelijk op de verplichting een vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Decentrale overheden moeten deze beperkte duur kunnen rechtvaardigen en motiveren. Een vergunning voor beperkte duurte mag worden verleend als: (art. 11 lid 1 Dienstenrichtlijn):

A          De vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden.
B          Het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang.
C          Een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.

Dit artikel heeft alleen betrekking op situaties waarbij de instantie in beginsel de mogelijkheid heeft een vergunning voor onbepaalde tijd te verstrekken. Overheden blijven daarnaast de mogelijkheid houden om een vergunning in te trekken als een dienstverlener niet (meer) aan bepaalde voorwaarden voldoet.

Toelichting uitzondering A (art. 11 lid 1a)
Alleen formeel kent deze uitzondering een beperkte geldigheidsduur. Verlenging vindt automatisch plaats. Bij verlenging worden geen andere of nieuwe voorwaarden gesteld dan die gedurende de looptijd van de vergunning golden. De vergunninghouder hoeft geen actie te ondernemen om de vergunning te laten verlengen. Als er een vergunning voor bepaalde duur is verleend en de verlenging van rechtswege plaatsvindt, is er sprake van een automatische verlenging.

Toelichting uitzondering B (art. 11 lid 1b)
Het aantal beschikbare vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Een voorbeeld is het beperken van het aantal vergunningen voor coffeeshops om de openbare veiligheid te beschermen. De beperking is dus noodzakelijk. Als gevolg van publiekrechtelijk handelen kan er een schaarste aan deze vergunningen ontstaan. De schaarste ontstaat omdat de dwingende reden van algemeen belang veiliggesteld wordt. Het stellen van een beperkte geldigheidsduur kan ook waarborgen dat anderen dan de bestaande vergunninghouders de kans krijgen om de onder die vergunning vallende diensten te mogen verrichten.

In het geval van de coffeeshop gaat het om een beperking als gevolg van een dwingende reden van algemeen belang. Bijvoorbeeld de bescherming van de volksgezondheid. De vergunningen worden in aantal schaars. Dit moet echter niet worden verward met het verlenen van beperkt aantal vergunningen door schaarste van beschikbare hulpbronnen of bruikbare technische mogelijkheden (art. 12 Dienstenrichtlijn en art 33 lid 4b en lid 5 Dienstenwet). Decentrale overheden hebben nauwelijks te maken met schaarse vergunningen. Desondanks mogen deze vergunningen enkel voor beperkte duur worden verleend en niet automatisch worden verlengd.

Toelichting uitzondering C (art. 11 lid 1c)
Bij de in artikel 11 eerste lid, onder c, bedoelde uitzonderingsgrond is de beperking in geldigheidsduur van een vergunning een middel en geen gevolg om een dwingende reden van algemeen belang te waarborgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het beperken van de duur van een festival om de openbare orde te beschermen. Bij beoordeling of op grond hiervan een beperking in de geldigheidsduur is toegestaan, moet er ook rekening gehouden worden met de evenredigheid van de maatregel. Als er ook met minder vergaande stappen hetzelfde doel bereikt kan worden, is een beperking niet toegestaan.