HomeDossiersEuropees recht en beleid decentraalInleiding Europees recht

Europees recht en beleid decentraal

Voorpagina Inleiding Europees recht Europabewust Organisaties Praktijk Info&Service
 

Inleiding Europees recht

21-09-2010
Inleiding Europees recht
Decentrale overheden moeten met Europese wet- en regelgeving op dezelfde manier omgaan als met nationale wet- en regelgeving. Zij dragen zelf verantwoordelijkheid voor de juiste naleving van het Europees recht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de Europese aanbestedingsregels, de regels betreffende staatssteun en de interne markt, het milieu en vervoer.

De positie van decentrale overheden is niet expliciet ingekaderd in Verdragsartikelen, maar komt in sommige Verdragsbepalingen wel aan de orde (zie hieronder bijvoorbeeld in artikelen 4 en 5 VEU).

(Uitoefening) bevoegdheden Unie, lidstaten, decentrale overheden
In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt in eerste instantie op een aantal terreinen een zekere bevoegdheidsverdeling opgenomen tussen de Unie en de lidstaten. Zo is de Unie ingevolge artikel 3 VWEU exclusief bevoegd op het gebied van de douane-unie, mededingingsregels (voorzover die voor de werking van de interne markt nodig zijn), het monetair beleid, de instandhouding van biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, de gemeenschappelijke handelspolitiek en onder bepaalde voorwaarden tot het sluiten van internationale overeenkomsten.
In artikel 4 VWEU worden de gedeelde bevoegdheden beschreven die de Unie deelt met de lidstaten. Het betreft in het bijzonder de gebieden interne markt, sociaal beleid, economische, sociale en territoriale samenhang, landbouw en visserij, milieu, consumentenbescherming, vervoer, trans-europese netwerken, energie, ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid, onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte en ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.
In artikelen 5 en 6 VWEU zijn coordinerende, ondersteunende en aanvullende bevoegdheden voor de Unie vastgelegd, die de Unie ter ondersteuning van lidstaten kan uitvoeren. De bevoegheden en verantwoordelijkheden van lidstaten op deze terreinen staat dus wel voorop. Het gaat om de terrreinen: bescherming en verbetering van de volksgezondheid, industrie, cultuur, toerisme, onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport, civiele bescherming en administratieve samenwerking.

Bij de uitoefening van deze bevoegdheden spelen een aantal verdragsbeginselen een belangrijke rol. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van de bevoegdheidstoedeling (artikel 5 lid 2 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (artikel 5 lid 3 en 4 VEU). Sinds het VEU (artikel 5 lid 3) is in het subsidiariteitsbeginsel opgenomen dat de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts kan optreden voorzover de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt. In protocol nr. 2 bij het Verdrag worden nadere voorwaarden uitgewerkt voor de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en proporitonaliteit. In de artikelen 2 en 5 van dat protocol worden onder meer de regionale en lokale dimensie van wetgevingshandelingen van de Commissie en de financiele en administratieve lasten van (ontwerpen van) wetgevingshandelingen voor de regionale of lokale overheden expliciet benoemd. In de artikelen 8 en 9 wordt daarnaast een expliciete rol ten aanzien van het subsidiariteitsbeginsel/ artikel 5 VEU aan het Comite van de Regio's toebedeeld.
Artikel 4 VEU geeft tenslotte aan dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, aan de lidstaten toehoren. De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Het beginsel van de Unietrouw (ook wel loyale samenwerking genoemd) in artikel 4 lid 3 van het VEU ziet erop toe dat de Unie en de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. Dit beginsel wordt vaak ingeroepen bij de naleving van Europees recht.

Het Unierecht geeft -afgezien van bovenstaande uitwerking van subsidiariteit en unietrouw op het niveau van de verhouding Unie - lidstaten- geen expliciete regeling over de uitwerking van de relatie tussen centrale en decentrale overheden in lidstaten en laat het verder aan de lidstaten op welke manier zij decentrale overheden betrekken bij het omzetten van Europees recht. Op nationaal niveau is er wel steeds meer aandacht voor het betrekken van decentrale overheden bij de implementatie van Europees recht, zie hierover onder meer ook het dossier Europabewust. In dit dossier vindt u ook meer informatie over het Europese Hof van Justitie dat in het verleden verschillende uitspraken heeft gedaan waaruit de verantwoordelijkheden van decentrale overheden ten opzichte van het Europees recht kunnen worden afgeleid. (Zie 'Aansprakelijkheid van (decentrale) overheid').
01-10-2010
Bronnen van Europees recht
Bronnen en werking van Europees recht
Het Europees recht omvat 'primair' en 'secundair' gemeenschapsrecht. Met primair gemeenschapsrecht worden de oorspronkelijke en wijzigingsverdragen bedoeld. Het secundaire gemeenschapsrecht omvat de besluiten die worden genomen op basis van de bevoegdheden die in de Verdragen zijn vastgelegd. Dit zijn onder meer verordeningen, richtlijnen, (individuele of algemene) besluiten, adviezen en aanbevelingen. Zie ook artikel 288 VWEU ev. Zie voormeer achtergrondinformatie over de verschillende soorten besluiten ook de ECER-website.

EU-Verdragen (VEU en VWEU; voorheen EG-Verdrag)
Verdragsbepalingen hebben 'directe' of 'rechtstreekse' werking. In het arrest Van Gend en Loos uit 1963 heeft het Europees Hof van Justitie (sinds VEU en VWEU het Hof van Justitie van de EU) de directe werking van Verdragsartikelen erkend. Dit betekent dat zij door iedere belanghebbende inroepbaar zijn voor een bevoegde nationale rechter. Het gevolg hiervan is dat de Verdragsartikelen automatisch onderdeel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde. Meer informatie over de rechtstreekse werking van de EU-Verdragen (het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)) is te vinden onder het kopje ‘Doorwerking van EG-recht’.

Verordeningen
EG-verordeningen worden niet omgezet in nationale wetgeving en zijn ‘verbindend in al hun onderdelen’ (artikel 14 leden 1 en 2 VEU; EG-Verdrag art. 189 oud). Hierdoor geldt voor verordeningen dezelfde rechtstreekse werking als voor de EU-Verdragen.

Richtlijnen
EU-richtlijnen moeten wel worden omgezet in nationale wetgeving. Zij hebben geen rechtstreekse werking. Veel ‘Brussels’ recht of beleid komt via de nationale overheid bij de decentrale overheden terecht. Er zijn echter omstandigheden waarin richtlijnen wel rechtstreekse werking hebben. Dit gebeurt bijvoorbeeld als de omzettingstermijn is verlopen of als de omzetting niet geheel of niet correct heeft plaatsgevonden. Deze (bepalingen van) richtlijnen moeten dan zonder tussenkomst van de nationale overheid worden gevolgd. Meer informatie hierover is te vinden onder het kopje ‘Doorwerking van EG-recht’ in dit dossier.

Jurisprudentie
Het Hof van Justitie van de EU is bevoegd om uitspraak te doen in zaken die bijvoorbeeld de Commissie aanspant wanneer een lidstaat het Unierecht niet nakomt. Aan bindende uitspraken van het Hof dient een lidstaat dan gevolg te geven. Ook burgers kunnen, onder bepaalde voorwaarden, via het nationale recht een (de)centrale overheid aansprakelijk stellen voor schade als gevolg van inbreuk op het  Europese recht.

21-09-2010
Soft law
Bronnen van Europees beleid

Soft law
Naast de juridische bindende wet- en regelgeving, wordt er binnen de EU ook zogenaamde ‘soft law’ uitgevaardigd. Dit zijn juridisch niet-bindende (maar in de praktijk vaak wel gevolgde) bepalingen en beleidsinstrumenten die vaak de vorm aannemen van (actie)programma's, aanwijzingen, beleidsdoelstellingen, conclusies, gedragscodes, resoluties, richtsnoeren of interpretatieve mededelingen. Met name de Raad en de Europese Commissie kunnen via dergelijke soft law instrumenten (beleids)aanbevelingen doen wanneer daarvoor grondslag of bevoegdheid bestaat in de EU-Verdragen. Zie voor de verschillende terreinen waarop de Unie voorstellen kan doen voorgaande beschrijving. De verschillende bevoegdheden van bijvoorbeeld de EU-instellingen Raad, Commissie en Europees Parlement staan nader beschreven in de artikelen 13 t/m 19 VEU. EU-instellingen kunnen dus ook beleid(sregels) uitvaardigen, met daarin bijvoorbeeld nadere bepalingen over de uitvoering van de bevoegdheden van die instelling.
21-09-2010
Beleidsdocumenten
Beleidsdocumenten
Met enige regelmaat brengt de Europese Commissie documenten uit, die decentrale overheden van nut kunnen zijn bij de interpretatie van (onderdelen van) het Europees recht. Voorbeelden hiervan zijn Groen- en Witboeken:

Groenboeken zijn reflectiedocumenten die de Commissie over een bepaald beleidsterrein publiceert. Deze documenten zijn vooral bestemd voor belanghebbende organisaties en personen, die worden verzocht deel te nemen aan een raadplegings- en discussieprocedure. In sommige gevallen liggen zij aan de basis van verdere ontwikkelingen op het gebied van wetgeving.

Een overzicht van de verschillende lopende raadplegingsprocedures ten aanzien van verschillende initiatieven vindt u op de website Uw kijk op Europa.

Witboeken zijn documenten met voorstellen voor communautaire maatregelen op een bepaald gebied. Zij sluiten soms aan op een groenboek dat is gepubliceerd om een raadplegingsprocedure op Europees niveau op gang te brengen. In groenboeken wordt een scala van ideeën behandeld met het oog op openbare discussie en debat. Witboeken daarentegen bevatten een officieel aantal voorstellen voor bepaalde beleidsterreinen; zij dienen om die voorstellen verder uit te werken.

(Bron: Documenten van de instellingen, website EU)