Decentrale overheden moeten met Europese wet- en regelgeving op dezelfde manier omgaan als met nationale wet- en regelgeving. Zij dragen zelf verantwoordelijkheid voor de juiste naleving van het Europees recht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de Europese aanbestedingsregels, de regels betreffende staatssteun en de interne markt, het milieu en vervoer.
De positie van decentrale overheden is niet expliciet ingekaderd in Verdragsartikelen, maar komt in sommige Verdragsbepalingen wel aan de orde (zie hieronder bijvoorbeeld in artikelen 4 en 5 VEU).
(Uitoefening) bevoegdheden Unie, lidstaten, decentrale overheden
In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt in eerste instantie op een aantal terreinen een zekere bevoegdheidsverdeling opgenomen tussen de Unie en de lidstaten. Zo is de Unie ingevolge artikel 3 VWEU
exclusief bevoegd op het gebied van de douane-unie, mededingingsregels (voorzover die voor de werking van de interne markt nodig zijn), het monetair beleid, de instandhouding van biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, de gemeenschappelijke handelspolitiek en onder bepaalde voorwaarden tot het sluiten van internationale overeenkomsten.
In artikel 4 VWEU worden de
gedeelde bevoegdheden beschreven die de Unie deelt met de lidstaten. Het betreft in het bijzonder de gebieden interne markt, sociaal beleid, economische, sociale en territoriale samenhang, landbouw en visserij, milieu, consumentenbescherming, vervoer, trans-europese netwerken, energie, ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid, onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte en ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.
In artikelen 5 en 6 VWEU zijn
coordinerende, ondersteunende en aanvullende bevoegdheden voor de Unie vastgelegd, die de Unie ter ondersteuning van lidstaten kan uitvoeren. De bevoegheden en verantwoordelijkheden van lidstaten op deze terreinen staat dus wel voorop. Het gaat om de terrreinen: bescherming en verbetering van de volksgezondheid, industrie, cultuur, toerisme, onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport, civiele bescherming en administratieve samenwerking.
Bij de uitoefening van deze bevoegdheden spelen een aantal
verdragsbeginselen een belangrijke rol. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van de bevoegdheidstoedeling (artikel 5 lid 2 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (artikel 5 lid 3 en 4 VEU). Sinds het VEU (artikel 5 lid 3) is in het subsidiariteitsbeginsel opgenomen dat de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts kan optreden voorzover de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt. In protocol nr. 2 bij het Verdrag worden nadere voorwaarden uitgewerkt voor de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en proporitonaliteit. In de artikelen 2 en 5 van dat protocol worden onder meer de regionale en lokale dimensie van wetgevingshandelingen van de Commissie en de financiele en administratieve lasten van (ontwerpen van) wetgevingshandelingen voor de regionale of lokale overheden expliciet benoemd. In de artikelen 8 en 9 wordt daarnaast een expliciete rol ten aanzien van het subsidiariteitsbeginsel/ artikel 5 VEU aan het Comite van de Regio's toebedeeld.
Artikel 4 VEU geeft tenslotte aan dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, aan de lidstaten toehoren. De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Het beginsel van de Unietrouw (ook wel loyale samenwerking genoemd) in artikel 4 lid 3 van het VEU ziet erop toe dat de Unie en de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. Dit beginsel wordt vaak ingeroepen bij de naleving van Europees recht.
Het Unierecht geeft -afgezien van bovenstaande uitwerking van subsidiariteit en unietrouw op het niveau van de verhouding Unie - lidstaten- geen expliciete regeling over de uitwerking van de relatie tussen centrale en decentrale overheden in lidstaten en laat het verder aan de lidstaten op welke manier zij decentrale overheden betrekken bij het omzetten van Europees recht. Op nationaal niveau is er wel steeds meer aandacht voor het betrekken van decentrale overheden bij de implementatie van Europees recht, zie hierover onder meer ook het dossier
Europabewust. In dit dossier vindt u ook meer informatie over het Europese Hof van Justitie dat in het verleden verschillende uitspraken heeft gedaan waaruit de verantwoordelijkheden van decentrale overheden ten opzichte van het Europees recht kunnen worden afgeleid. (Zie '
Aansprakelijkheid van (decentrale) overheid').