HomeDossiersEuropees recht en beleid decentraalInleiding Europees rechtVerdragen

Europees recht en beleid decentraal

Voorpagina Inleiding Europees recht Europabewust Organisaties Praktijk Info&Service
 

Verdragen

01-11-2010
Verdrag van Lissabon
De samenwerking in het kader van de Europese Unie is gebaseerd op Verdragen.

Het nieuwe 'Hervormingsverdrag' (Lissabon), dat op 1 december 2009 in werking is getreden, is het huidig vigerende EU-Verdrag en bestaat uit het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Verdrag van Lissabon

Het nieuwe Verdrag van Lissabon past de bestaande Verdragen aan. Zie hier de geconsolideerde versie (n.a.v. het Verdrag van Lissabon, in werking getreden op 1 december 2009) van het Verdrag tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag).
Na de afwijzing van de 'Europese Grondwet' in 2005 door Nederland en Frankrijk is er via onderhandelingen tijdens een intergouvernementele conferentie (IGC) een nieuw Verdrag tot stand gekomen: het Hervormingsverdrag. Sinds de ondertekening ervan eind 2007 in Lissabon, wordt dit Verdrag het 'Verdrag van Lissabon' genoemd.

Belangrijke wijzigingen naar aanleiding van Lissabon
Het Verdrag van Lissabon wijzigt de tot dan toe bestaande Verdragen: het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit laatste Verdrag was het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, maar heeft door het Verdrag van Lissabon een nieuwe naam gekregen. De wijzigingen zijn terug te vinden in de geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

De bestaande artikelnummers in de Verdragen zijn opnieuw genummerd. De bestaande ‘pijlerstructuur’ van de EU wordt in het Verdrag van Lissabon afgeschaft; de ‘derde pijler’ (de samenwerking op de terreinen van justitie en binnenlandse zaken) wordt in geheel opgenomen in de eerste communautaire pijler, waar meerderheidsbesluitvorming in de Raad van Ministers geldt in plaats van unanimiteit. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, tweede pijler, werkt nog steeds onder unanimiteit tussen de lidstaten.

De lidstaten hebben in het Verdrag beter vastgelegd dat een land moet voldoen aan de zogenaamde 'Kopenhagen-criteria' voordat het tot de EU mag toetreden. De huidige stemverhoudingen tussen de lidstaten (in de Raad) blijven bestaan tot 2014. Daarna komt er een nieuwe stemmenweging die meer recht doet aan de omvang van de bevolking van een lidstaat. Er komt een permanente voorzitter van de Raad (de halfjaarlijkse EU-voorzitterschappen door de lidstaten komen te vervallen). Het aantal leden van de Europese Commissie wordt teruggebracht tot tweederde van het aantal lidstaten. Dat betekent dat niet ieder land in elke zittingsperiode een Commissaris afvaardigt. Het aantal leden van het Europees Parlement mag niet meer dan 750 bedragen. Wel krijgt het Parlement meer bevoegdheden; onder meer op het gebied van landbouw en structuurfondsen krijgt het medebeslissingsbevoegdheid.

De rol van de nationale parlementen wordt versterkt. Op het moment dat de meerderheid van de nationale parlementen tegen een nieuw Europees wetsvoorstel is, kunnen zij het voorstel terugsturen naar de Europese Commissie. 

Decentrale overheden en het Verdrag van Lissabon
Voor decentrale overheden brengt het Verdrag van Lissabon enkele veranderingen:
- met ingang van 1 december 2009 maken decentrale overheden formeel deel uit van de inrichting van het bestuur van de EU. Het beginsel van lokaal en regionaal zelfbestuur wordt voor het eerst vastgelegd in een Europees Verdrag;
- ‘territoriale samenhang’ wordt voortaan als doelstelling van de Unie bestempeld. Daardoor krijgt het regionaal beleid een grondslag in het Verdrag;
- de definitie van het subsidiariteitsbeginsel wordt verbreed en omvat voortaan de lokale en regionale overheidsniveaus. Decentrale overheden en hun koepels zullen in de toekomst vaker worden geconsulteerd over wet- en regelgeving die zij moeten (gaan) uitvoeren en de Europese Commissie wordt verplicht de financiële en administratieve lasten voor decentrale overheden als gevolg van nieuwe wetgeving te beperken;
- het Comité van de Regio's heeft in de toekomst het recht om bezwaar te maken bij het Europees Hof van Justitie over inbreuken op het subsidiariteitsbeginsel of als het recht om geconsulteerd te worden op relevante terreinen niet wordt gerespecteerd. Ook kan het Comité vaker door het Europees Parlement geraadpleegd worden bij bijvoorbeeld nieuwe Commissievoorstellen;
- de status van diensten van algemeen (economisch) belang is voor het eerst vastgelegd in het Verdrag;
- met de inwerkingtreding van het Verdrag komt een einde aan de Europese pijlerstructuur en neemt het stemmen via gekwalificeerde meerderheid in de Raad van de Europese Unie toe. Dit maakt de besluitvorming op een aantal terreinen -waar eerder met unanimiteit werd besloten- gemakkelijker. Ook is in het kader van het Verdrag van Lissabon Herman Van Rompuy, voormalig premier van België als permanente voorzitter van de Europese Raad benoemd. Het Europees Parlement krijgt een grotere rol en ook de nationale parlementen krijgen meer zeggenschap. Deze veranderingen moeten de EU democratischer en transparanter maken.

Lees meer over het Lissabonverdrag en de gevolgen voor decentrale overheden in het factsheet Het Lissabonverdrag en decentrale overheden.

Reactie decentrale overheden
Het Comité van de Regio's (CvdR) reageerde positief op het Verdrag van Lissabon gezien de institutionele rechten van lokale en regionale overheden die erin zijn opgenomen. Onder deze rechten vallen de erkenning en eerbiediging van lokaal en regionaal zelfbestuur, de erkenning van territoriale cohesie als doelstelling van de EU en het recht van het CvdR om schendingen van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel voor het Europees Hof van Justitie te brengen. De definitie van het subsidiariteitsprincipe wordt vastgelegd in het desbetreffende Protocol, dat aan het Verdrag is gehecht. Het Protocol over diensten van algemeen belang, dat aan het Verdrag is gehecht, erkent de rol van lokale en regionale overheden bij het beheren van dergelijke diensten, aldus het CvdR. Het CvdR sprak de wens uit dat hiermee de juridische onzekerheid, die momenteel op dit gebied speelt, wordt weggenomen.

Ook de overkoepelende organisatie van decentrale overheden in Europa (Council of European Municipalities and Regions - CEMR) heeft gesteld het Verdrag van Lissabon ‘een grote stap vooruit’ te vinden voor lokale en regionale overheden in Europa. Tevens onderstreept een nieuw Protocol over publieke diensten of ‘diensten van algemeen belang’ dat de EU de bevoegdheden van decentrale overheden bij het verrichten, machtigen en organiseren van deze diensten moet respecteren, aldus CEMR.
Lees hier de reactie van CEMR.

Procedurele stappen
Eind 2007 werd het Verdrag van Lissabon ondertekend door de staatshoofden en regeringsleiders van de EU-lidstaten. Vervolgens is in alle lidstaten een ratificatieprocedure gestart. In juni en juli 2008 hebben de Tweede en Eerste Kamer ingestemd met de goedkeuringswet voor het Verdrag van Lissabon. Daarmee heeft Nederland het Verdrag officieel bekrachtigd. Door het afwijzende referendum in Ierland van juni 2008 was de oorspronkelijk voorziene inwerkingtreding van begin 2009 niet langer haalbaar. Tijdens de Europese Top in december 2008 is verder gesproken over de te nemen stappen om het Verdrag in werking te laten treden. Nadat alle lidstaten de benodigde stappen tot ratificatie van het Verdrag hadden gezet, is het uiteindelijk op 1 december 2009 in werking getreden.
24-05-2011
Europese Verdragen
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon (VEU/VWEU) zijn diverse Europese Verdragen vastgesteld. Hieronder vindt u de voornaamste:

De Europese Verdragen

Verdrag van Nice
Het Verdrag van Nice (in werking getreden op 1 februari 2003) had voornamelijk tot doel de instellingen te hervormen met het oog op een efficiënte werking van de Unie na de uitbreiding tot 25 lidstaten. Het Verdrag van Nice, het voormalige EU-Verdrag en het EG-Verdrag zijn samengevoegd in één geconsolideerde versie.

Verdrag van Amsterdam
Door het Verdrag van Amsterdam (in werking getreden op 1 mei 1999) werden de EU- en EG-Verdragen gewijzigd en hernummerd. Geconsolideerde versies van de EU- en EG-Verdragen zijn aan het Verdrag van Amsterdam toegevoegd. De letters A tot S waarmee de artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie werden aangeduid, werden bij het Verdrag van Amsterdam vervangen door artikelnummers.

Verdrag betreffende de Europese Unie 
Bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (‘Verdrag van Maastricht', in werking getreden op 1 november 1993) werd de benaming Europese Economische Gemeenschap (EEG) gewijzigd in ‘Europese Gemeenschap’ (EG). Bij het Verdrag van Maastricht zijn ook nieuwe vormen van samenwerking tussen de regeringen van de lidstaten ingevoerd, bijvoorbeeld op het gebied van ‘justitie en binnenlandse zaken’. Door de toevoeging van deze intergouvernementele samenwerking aan het bestaande ‘gemeenschapssysteem’, heeft het Verdrag van Maastricht een nieuwe politieke en economische structuur gecreëerd met drie ‘pijlers’. Dit is de Europese Unie (EU).

Europese Akte
De Europese Akte (in werking getreden op 1 juli 1987) regelde de aanpassingen die nodig waren voor de voltooiing van de interne markt.

Fusieverdrag
Het Fusieverdrag (in werking getreden op 1 juli 1967) zorgde ervoor dat er één enkele Commissie en één enkele Raad kwamen voor de drie Europese Gemeenschappen die er toen waren.

Verdrag van Rome
Het Verdrag van Rome, tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), trad op 1 januari 1958 in werking. Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) werd samen met het EEG-Verdrag op 25 maart 1957 in Rome ondertekend. Deze verdragen worden vaak aangeduid als ‘de Verdragen van Rome’.

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) trad op 23 juli 1952 in werking en verstreek op 23 juli 2002.

De oprichtingsverdragen zijn verscheidene malen gewijzigd, in het bijzonder naar aanleiding van de toetreding van nieuwe lidstaten. Dit was het geval in 1973 (Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk), 1981 (Griekenland), 1986 (Spanje, Portugal), 1995 (Oostenrijk, Finland en Zweden), 2004 (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië) en 2007 (Bulgarije en Roemenië).

(Bron en meer informatie: Europa: Verdragen en het recht)

Overige Verdragen (Handvest en EVRM)

In artikel 6 van het VEU wordt aangegeven dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2007 (aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg) erkent. Dit Handvest heeft dezelfde juridische waarde als de Verdragen, maar de bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen. Het Handvest ziet met name op bescherming van sociale rechten van werknemers, bescherming van gegevens, bio-ethiek en het recht op behoorlijk bestuur.
Daarnaast geeft artikel 6 VEU aan dat de Unie toetreedt tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De grondrechten zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie. HET EVRM ziet vooral op de bescherming van burgerlijke en politieke rechten. Zie voor meer informatie ook de website van Europa.

Het EU-Handvest van de Grondrechten geldt niet alleen voor de EU-instellingen. Het geldt ook voor de EU-lidstaten, maar uitsluitend als zij “het recht van de Unie ten uitvoer brengen”. Uit conclusies van Advocaten-Generaal blijkt dat er bij deze adviseurs van het EU-Hof onduidelijkheid heerst over de uitleg van deze omschrijving. Lees het nieuwsbericht 'Reikwijdte EU-Handvest Grondrechten nog onduidelijk' van het Expertisecentrum Europees Recht dat op 17 mei 2011 is verschenen.