Praktijkvraag: Lokale omroepen en staatssteun
Vraag
Onze gemeente wil een renteloze lening verstrekken aan een lokale
omroep. Recentelijk heb ik gehoord dat de Europese Commissie geoordeeld
heeft dat de steun die door Nederland aan de publieke omroepen verleend
is, terugbetaald moet worden. Kunnen we lokale omroepen wel steunen of
is in deze gevallen tevens sprake van ongeoorloofde staatssteun?
Antwoord
De Europese Commissie heeft Nederland in juni 2006 gelast om ruim
76 miljoen euro plus rente terug te vorderen van NOS, de
coördinatieorganisatie van de publieke omroepen (zie
beschikking nr. C 2/2004).
Uit het onderzoek bleek dat de betalingen door de overheid over de
periode tussen 1994 en 2005 meer bedroegen dan de publieke omroepen
nodig hadden om hun publieke taakopdracht te vervullen. Deze
overcompensatie leidde ertoe dat NOS financiële reserves had opgebouwd,
hetgeen resulteerde in een concurrentievervalsing ten opzichte van de
commerciële omroepen.
In de mededeling van de Commissie over publieke omroepen uit 2001
bepaalt de Commissie dat de overheidsfinanciering voor openbare
dienstverplichtingen in beginsel goedgekeurd kan worden. De voorwaarde
is echter dat deze financiering met de netto kosten van het verschaffen
van de openbare dienst overeenstemt. Of in uw geval sprake is van
meldingsplichtige steunmaatregel, moet nauwlettend worden beoordeeld.
Indien het netto steunbedrag (de besparing van de rente) hoger uitvalt
dan 200.000 euro over een periode van drie belastingjaren (de de minimis grens), en verder voldaan is aan de
andere criteria van artikel 107 lid 1 VWEU, is er mogelijk sprake van staatssteun.
Uit de
mededeling over openbare omroepen blijkt
dat, hoewel de omstandigheden per geval beoordeeld moeten worden, de
Commissie van mening is dat wanneer
nationale omroepen met
staatsmiddelen gesteund worden, er in de regel sprake is van een
beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer. Hoe zit het dan met
lokale omroepen?
Hoewel men misschien in eerste instantie zou kunnen denken dat lokale
omroepen slechts op een lokale markt operen, omdat zij zich in het
algemeen op lokale kijkers-, programma- en advertentiemarkten
richten, moet men met een dergelijke aanname voorzichtig zijn. Uit
een tot België gerichte
beschikking uit
2002 blijkt namelijk dat deze redenering voor de Commissie te kort door
de bocht is. In deze beschikking geeft de Commissie aan dat in het
geval van lokale televisie zorgvuldig per geval nagegaan moet worden of
er toch niet sprake is van ongunstige beïnvloeding van het
handelsverkeer tussen de lidstaten.
De Commissie neemt dan achtereenvolgens de markt voor programmarechten
en de reclamemarkt onder de loep. ‘Indien de lokale televisiestations
in de Franse Gemeenschap beperkt zouden zijn tot de uitzending en de
productie van lokale programma’s zou de conclusie getrokken kunnen
worden dat zij niet concurreren op de internationale markt voor de
verwerving van programmarechten.’ Omdat de lokale Franse
televisiestations ten minste voor de helft programma’s van eigen
makelij moeten uitzenden en hun programma’s hoofdzakelijk regionale
sportevenementen, informatie over bioscoopprogramma’s, culturele
magazines en nieuws omvatten, komt de Commissie tot het oordeel dat de
gevolgen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten op de markt voor
programmarechten te verwaarlozen zijn. Deze redenering is te volgen en
geeft hoop voor de Nederlandse decentrale overheden.
Bij de analyse van de reclamemarkt onderkent de Commissie dat lokale
televisiestations indirect, via de verwerving van reclame zendtijd, op
de nationale en internationale reclamemarkt aanwezig zijn. ‘Omdat
lokale televisiestations alleen een lokale dekking en een beperkt
kijkerspubliek ten bieden hebben, is de markt voor de verkoop van
reclame zendtijd verschillend van die van ondernemingen die op
nationaal of internationaal niveau programma’s uitzenden.’ Toch is dit
onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de steun geen ongunstige
invloed heeft op de tussenstaatse handel. Omdat de lokale zenders
kijkers weglokken van de zenders die wel op de gemeenschappelijke markt
opereren wordt er toch beïnvloeding van de handel aangenomen.
‘Geconcludeerd moet worden dat de steun de positie van de lokale
televisiestations in de Franse Gemeenschap versterkt ten opzichte
van andere televisiezenders die concurreren in het intracommunautaire
handelsverkeer, doordat kijkers bij hen worden weggelokt en deze
derhalve kan leiden tot een verstoring van het handelsverkeer tussen de
lidstaten.’ De indirecte ongunstige invloed op de tussenstaatse handel
waar de Commissie van uitgaat lijkt immers slechts te ontbreken voor
een lokaal televisiestation dat nagenoeg geen kijkers trekt. Deze
redenering van indirecte beïnvloeding lijkt weinig ruimte te bieden
voor de Nederlandse lokale en regionale omroepen om aan het verbod van
artikel 107 lid 1 VWEU te ontsnappen.
Gezien het feit dat de Commissie dus over het algemeen al snel
aanneemt
dat er sprake is van een grensoverschrijdend effect en een vervalsing
van de mededinging, zal deze steun - wanneer zij boven 200.000 euro
uitkomt- getoetst moeten worden aan de criteria van het Altmark-arrest
dan wel de Vrijstellingsbeschikking nr. 2005/842/EG (zie
Stappenplan). Als deze twee
opties geen uitkomst bieden, dan zal de steun waarschijnlijk ter
goedkeuring moeten worden
aangemeld. Een kanttekening is hier op zijn plaats: er is veel
kritiek geweest op de bovengenoemde beschikking van de Commissie.
Bovendien is onduidelijk of de Commissie een dergelijk strikt beleid
wil blijven volgen. De Commissie heeft in het Actieplan
staatssteun (punt 62) aangegeven de geldende mededeling over
openbare omroepen in 2007/2008 opnieuw te bezien.
Voor meer informatie over lokale omroepen en staatssteun verwijzen we u graag naar de publicatie
'Financiële ondersteuning van lokale en regionale omroepen; de randvoorwaarden van het gemeenschapsrecht', geschreven door Bart Hessel en Robert-Jan van Lotringen.